HEEFT KEIZER KAREL DE GROTE OOIT GELEEFD?

door

H. Feikema

 

Samenvatting

In 2000 was het twaalf eeuwen geleden dat Karel de Grote in Rome tot keizer werd gekroond. Aan deze bijzondere gebeurtenis zal ongetwijfeld de nodige aandacht worden besteed, want hij wordt door velen gezien als de grondlegger van een Verenigd Europa. Veel mensen vinden het interessant als ze kunnen vertellen dat ze van hem afstammen. Menig genealoog hoopt dan ook zijn familie te kunnen aansluiten op nazaten van Karel de Grote. Het wordt vaak gezien als de kroon op een jarenlang genealogisch onderzoek. Maar staat deze kroon wel zo stevig? Tot voor enkele jaren was hierover geen enkele twijfel mogelijk. Je durfde zo'n vraag amper te stellen, maar er komen steeds meer aanwijzingen dat er iets mis is met de geschiedenis die wij op school hebben geleerd. De ons vertelde verhalen stemmen niet altijd overeen met de historische werkelijkheid. Zelfs aan het bestaan van keizer Karel wordt getwijfeld. Men spreekt zelfs van geschiedvervalsing. Wat is er precies aan de hand? Het antwoord op deze vraag wordt in dit artikel gegeven.

Inleiding

Het zal in 1972 zijn geweest dat mijn vader mij vertelde dat hij bij het zoeken naar zijn voorouders had ontdekt dat wij van keizer Karel de Grote afstammen. Het was een interessante mededeling en ik vond het heel opwindend. Ik besefte toen nog niet dat deze voorvader wel een hele bijzondere historische figuur was die plotseling als een donderslag bij heldere hemel in de middeleeuwen was verschenen. Pas later toen ik het genealogische onderzoek van mijn vader had overgenomen, ben ik mij in deze persoon gaan verdiepen en kwam tot de conclusie dat Karel alleen maar met superlatieven wordt beschreven. Een reus van bijna twee meter lengte met brede schouders en beresterk. Zo kon hij bijvoorbeeld bewapende mannen met een arm optillen en vier hoefijzers met zijn handen dichtdrukken. Hij was aan het hof de beste zwemmer en kon uitstekend paardrijden. In zijn leven heeft hij een afstand afgelegd die zo'n twee tot vier keer de omtrek van de aarde omvat. Als het moest, reed hij dag en nacht, zonder slaap, van Italië naar de Rijn en vandaar direct door naar de Pyreneeën. Dit uithoudingsvermogen hadden zijn dochters ook, want zij moesten hem op zijn tochten vergezellen. Zelfs zijn witte olifant, Abul Abbas, ging met hem mee van 802 tot 810. Waarom zijn olifant hem vergezelde is niet bekend, maar zijn dochters moesten mee omdat Karel bang was dat ze anders zouden trouwen, wat hij beslist niet wilde. Het huwelijksverbod gold niet voor de keizer zelf. Zo had hij minstens 18 kinderen bij 10 vrouwen, waarvan er vier met hem getrouwd waren. Dit waren de al snel verstoten Langobardische koningsdochter Desiderata (770-771), een kleindochter van een Alamaanse hertog, Hildegard (771-783, negen kinderen), een dochter van een Frankische graaf, Fastrada (783-796, twee kinderen), en Liutgard (796-800). Volgens een publicatie in 1964 zou hij nog een vijfde vrouw, Himiltrud, voor Desiderata hebben gehad. Zij schonk hem een kind en was de dochter van een Frankische edelman. Als weduwnaar had hij op 58 jarige leeftijd vier concubines. Verder zou hij bij zijn zuster, Gisela, de latere paladijn Roland hebben verwekt. Kortom, Karel was fysiek erg sterk, een levensgenieter en een zeer potent man. Men heeft uitgerekend dat ongeveer 2 % van de bevolking van Midden-Europa van hem moet afstammen. Voor Nederland zijn dat ongeveer 300.000 personen. Maar Karel was op meer terreinen actief Hij was vrijwel altijd op oorlogspad. Slechts in twee van de 46 regeringsjaren voerde hij geen oorlog. Je kunt je dan ook afvragen hoe hij de tijd vond om zich ook nog met andere zaken bemoeien. En dat waren er vele. Eigenlijk te veel om ze hier allemaal te noemen. Daarom een korte opsomming van enkele karakteristieke kenmerken die Karel het beste typeren. Zo was hij: alleenheerser, veldheer, analfabeet, architect, astronoom, stichter van bibliotheken, scholen, universiteiten en ziekenhuizen, taal- en letterkundige, verzamelaar van boeken, politicus, minister van financiën, wetgever, jurist, kruisvaarder, socialist, priesterkoning, zeer gelovig, beschermer van de christenheid, theoloog, utopist en vader van Europa. Verder hervormde hij o.a. de landbouw, het onderwijs, de rechtspraak, de kalender, de liturgie en het muntwezen. Op zijn initiatief zijn kerken, kloosters en andere grote bouwwerken gebouwd; 313 in totaal. Het zal duidelijk zijn dat Karel een buitengewoon mens was. Van hem wordt wel eens gezegd dat hij een mix was van koning Salomon, Jezus Christus en Superman. De grote keizer van de Franken, een eenzaam licht in de anders zo donkere middeleeuwen. Een man om trots op te zijn om die als voorvader te hebben. Of toch niet? Want Karel heeft ook de Saksen onderworpen en enkele duizenden van hen laten ombrengen. Maar hoe dan ook, zonder Karel was Europa nooit geworden zoals het nu is. Nog steeds worden ter ere van hem vrijwel jaarlijks symposia en andere bijeenkomsten gehouden. In bijvoorbeeld 1999/2000 waren er vijf tentoonstellingen aan hem gewijd in Barcelona, Brescia, Paderborn, Split en York. Voorlopig zal dit nog wel even doorgaan, want dit jaar is het 1200 jaar geleden dat Karel in Rome op eerste kerstdag door paus Leo III tot keizer werd gekroond. Een gebeurtenis die ongetwijfeld herdacht zal worden.

Ten tijde van Karel beleefde het Frankische rijk een grote opleving. Talrijke bouwwerken verrezen en diverse kunstvormen floreerden. Deze Karolingische Renaissance duurde maar kort, ongeveer veertig jaar. Als het ware uit het niets ontstaan na een donkere periode van bijna twee eeuwen. Nog vreemder is dat vrijwel direct na Karels dood in 814 zijn rijk terugviel in zo'n zelfde donkere tijd die tot het einde van de tiende eeuw heeft geduurd. Van zijn vele bouwwerken is nauwelijks iets bewaard gebleven en van deze restanten is gebleken dat ze niet voor de tiende eeuw gebouwd kunnen zijn. Van sommige is het zelfs mogelijk dat ze veel ouder zijn dan tot nu toe is aangenomen. Met de nagelaten kunstwerken lijkt dat op het eerste gezicht anders te liggen. Toch wijzen kunsthistorici erop dat uit de werkplaatsen in Karels tijd vrijwel niets is overgebleven. Hoe verklaar je deze ongerijmdheden? Wanneer we in de tijd verder teruggaan, dan komen we dit soort merkwaardigheden vaker tegen. Niet alleen in Europa, maar ook daarbuiten. Om maar een paar voorbeelden te noemen:

- Toen er in de vijfde eeuw een einde kwam aan het Romeinse Rijk en het Westen de donkere middeleeuwen inging, veranderde er in het Oosten vrijwel niets. Daar bleef het Byzantijnse Rijk nog eeuwen voortbestaan. Opvallend is echter dat daar in de zevende eeuw opeens geen literatuur meer werd geschreven Men schreef niet meer en bouwde niet meer

- Voor de tijd tussen 610 en 850 ontbreekt alle informatie over de ontwikkeling van de Byzantijns architectuur.

- In Griekenland begon het donkere tijdperk in 580. Volgens archeologen moet het land vrijwel geheel ontvolkt geweest zijn. Pas in de tiende eeuw vestigden zich daar weer mensen.

- Opvallend is dat er tussen 600 en 800 geen historische traditie bestond. Overblijfselen van eigen geschiedkundige werken bestaan niet.

Deze lijst kan nog met talloze voorbeelden worden uitgebreid, doch het voorgaande geeft nu al aan dat er iets merkwaardigs aan de hand is. Als je je dan bovendien nog realiseert dat er in de loop van de geschiedenis talloze documenten zijn vervalst, zelfs congressen [Fälschungen 1988] zijn hieraan gewijd, dan moeten bij bepaalde historische gebeurtenissen vraagtekens worden geplaatst Zelfs bij feiten waaraan niet wordt getwijfeld en als waarheden worden aangenomen. Geldt dit ook voor keizer Karel? Afgaande op de informatie die ik de afgelopen maanden onder ogen kreeg, vrees ik dat ik nu mijn kinderen moet vertellen dat wij helemaal niet van Karel afstammen. Maar wij niet alleen! Zeer waarschijnlijk stamt niemand van hem af, want er zijn sterke aanwijzingen dat Karel een verzonnen figuur is. Zelfs de tijd waarin hij geleefd zou hebben, is een verzinsel. Deze zogenaamde fantoomtijd valt namelijk precies in de donkere middeleeuwen, zo tussen het begin van de zevende eeuw en het begin van de tiende eeuw. Hoe absurd en ongelooflijk dit alles ook mag klinken, het valt niet mee om nu nog het tegendeel te beweren na lezing van de twee boeken van de Duitse historicus Dr.Heribert Illig Hij komt in zijn boeken Das erfundene Mittelalter/Die gröszte Zeitfälschung der Geschichte [Illig 1998] en Wer hat an der Uhr gedreht?/Wie 300 Jahre Geschichte erfuden wurden [Illig 1999] met zoveel bewijzen dat waarschijnlijk de hele middeleeuwse geschiedenis herschreven moet worden. Of dat snel zal gebeuren is nog maar de vraag, want een groot aantal mediëvisten heeft hij wel tegen zich in het harnas gejaagd. Het zal je ook maar overkomen dat je na jaren van wetenschappelijk onderzoek aan de hand van alleen maar oorkonden en documenten - al dan niet vervalst - moet toegeven dat je het waarschijnlijk mis hebt. Want een van de verwijten die Illig de gevestigde wetenschap maakt, is dat alleen maar is gekeken naar hetgeen in de loop van de geschiedenis is opgeschreven. Andere disciplines zijn door hen stelselmatig buiten beschouwing gelaten. Bijvoorbeeld de uitkomsten van opgravingen en de bevindingen van bouwarcheologen zijn gewoon genegeerd Inmiddels is de discussie - tijdens lezingen, in artikelen en zelfs voor de televisie - over wie gelijk heeft in Duitsland losgebarsten. Het einde is nog niet in zicht en zal nog wel even op zich laten wachten. Wel is inmiddels duidelijk geworden dat de geschiedenis zoals wij deze kennen, zowel in Europa als daarbuiten, nog eens kritisch moet worden onderzocht. Wat dat betreft, heeft Illig met zijn publicaties hiervoor een goede voorzet gegeven. Deze boeken zijn voor de genealoog met historische belangstelling sowieso interessant, want ze bevatten honderden verwijzingen naar publicaties over zeer veel uiteenlopende onderwerpen, bijvoorbeeld over archeologie, astronomie, bouwkunst, kalenders en tijdrekening. Heeft u zich wel eens afgevraagd hoe wij aan onze jaartallen komen en wie ze heeft ingevoerd? Een tip van deze sluier zal hierna worden opgelicht, want deze heeft geleid tot de these van Illig.

Het is wellicht goed om op te merken dat hij niet de enige is die aan de ons op school vertelde geschiedenis twijfelt. In Duitsland heeft hij verschillende medestanders die zijn stelling onderschrijven en daarover regelmatig publiceren. Uwe Topper bijvoorbeeld heeft vorig jaar ook een boek [Topper 1999] over deze kwestie geschreven. Hierin komt hij met heel veel nieuwe feiten en gezichtspunten die de these ondersteunen. Wilt u van de ontwikkelingen op de hoogte blijven, dan is de Internetsite van de Berliner Geschichtssalon [adres 1] een aanrader. Ook in het buitenland houden groepen zich met dit thema bezig, o.a. op de Universiteit van Omsk in Rusland. Interessant zijn de boeken en artikelen van Anatolij T. Fomenko waarin hij ingaat op het gebruik van statistische methoden bij historisch onderzoek [Fomenko 1994]. Vermeldenswaard is de Russische Internetsite New Chronology of the World History [adres 2]. Behalve artikelen in het Russisch kan men daar ook Engelstalige pagina's vinden.

Kalenders

Wij beweren dat we in het jaar 2000 leven. De joden leven echter in het jaar 5760, de kopten in het jaar 1716, de boeddhisten in het jaar 2544 en de islamieten in het jaar 1420. Het lijkt wel of de joden onze tijd ver vooruit zijn en de mohammedanen jaren achter lopen. Wie heeft er nu eigenlijk gelijk? Het antwoord is gewoon allemaal. Alleen wij noemen het huidige jaar waarin wij momenteel leven 2000 en de anderen gebruiken hun eigen jaartallen. Met het jaar 2000 bedoelen wij dat het twee millennia geleden is dat Jezus Christus is geboren. Vanaf zijn geboorte zijn wij gaan tellen en hebben deze datum als referentiedatum gekozen. De islamieten hebben 622, het jaar waarin Mohammed uit Mekka naar Medina vluchtte, als referentiepunt genomen. De joden tellen vanaf het moment dat de aarde is ontstaan. Volgens nieuwe inzichten is Jezus niet tweeduizend jaar geleden geboren, maar zeven jaar eerder, d.w.z. in 7 v. Chr. Voor de huidige jaartelling gaat men echter nog steeds uit van het eerder aangenomen geboortejaar. Volgens Illig is dat nog maar 1703 jaar geleden. Waar baseert hij dit op?

Het was hem opgevallen dat de bij de geschiedschrijving van bijvoorbeeld de oude Grieken, Egyptenaren en Babyloniërs gebruikte antieke chronologieën niet altijd betrouwbaar zijn. Dat bleek bijvoorbeeld bij gebeurtenissen waarvan de oorzaken en gevolgen eeuwen uit elkaar lagen. Zonder aanpassing van de chronologie was dit niet verklaarbaar. Hij vroeg zich af of zich zoiets in een meer recent verleden ook had voorgedaan. Hij werd hierin gesterkt door het feit dat steeds vaker oude documenten vervalsingen bleken te zijn. En hij besloot zich in onze christelijke tijdrekening te verdiepen. Het jaar 1582 bleek een belangrijk jaar te zijn, want de Juliaanse kalender werd toen vervangen door de Gregoriaanse kalender. Na jaren van voorbereiding tekende de inmiddels 80-jarige paus Gregorius XIII op 24 februari 1582 op voorstel van een kalendercommissie in Mondragone een ordinantie waarmee hij het laatste jaar van de Juliaanse kalender aankondigde, althans voor de loyale katholieke landen die nog bereid waren om een decreet te aanvaarden van een paus die niet veel gezag meer had. Alle katholieke landen werden door pauselijke gezanten op de hoogte gesteld. In oktober van dat jaar werd de nieuwe kalender ingevoerd. Er werden tien dagen overgeslagen, na 4 oktober volgde 15 oktober. Hoewel de overgang niet echt vlot verliep, was na een paar jaar de verandering door het grootste deel van katholiek Europa geaccepteerd. De protestanten in Duitsland en elders verwierpen de correctie. Duitsland en andere landen moesten rekening houden met twee kalenders: de Juliaanse (protestant) en de Gregoriaanse (katholiek). Het betekende bijvoorbeeld dat als iemand op 1 januari uit het katholieke Regensburg in Beieren vetrok, hij in het lutheraanse Neurenberg, zo'n 80 kilometer verder, in december van het vorige jaar zou arriveren. Zelfs de christelijke feestdagen, waaronder Pasen, vielen op verschillende dagen. De verwarring was zo groot dat Pasen soms twee keer per jaar werd gevierd. In de 18e eeuw namen de protestanten in Duitsland en Denemarken de Gregoriaanse kalender over. Engeland ging in 1752 overstag en Zweden in 1753. De Baltische landen volgden rond 1915 tijdens de Duitse bezetting, Roemenië en Joegoslavië in 1919, en Rusland wachtte tot na de Russische Revolutie in 1918. De Grieks-orthodoxe Kerk hield het vol tot 1923. Enkele geloofsgemeenschappen accepteerden de nieuwe kalender, maar nog niet eens alle delen; voor de berekening van Pasen houden ze hun oude rekenmethoden aan. Pasen viert men tegenwoordig nog steeds op een andere dag. En nu nog zijn er geloofsgemeenschappen die zich aan de Juliaanse tijdrekening houden, zoals de kerken in Jeruzalem, Rusland, Servië en de kloosters op de berg Athos in Griekenland. Ook buiten Europa werd de Gregoriaanse kalender ingevoerd Japan koos er in 1873 voor en China pas in 1949 na de communistische overname Nu kan men zeggen dat deze kalender een wereldkalender is geworden. Alleen zeer geïsoleerde bevolkingsgroepen gebruiken nog hun eigen kalender. Voor het meten van de exacte tijd worden tegenwoordig atoomklokken gebruikt.

Maar laten we terugkeren naar 1582. Waarom verdwenen toen zomaar tien dagen? De reden was dat de in 45 v. Chr. door keizer Julius Caesar ingevoerde Juliaanse kalender niet meer voldeed. In dat jaar schafte hij de op maancycli gebaseerde tijdrekening van de oude Romeinen af en voerde een zonnekalender in. De lengte van een jaar werd op 365,25 dagen vastgesteld. Om weer in het gareel te komen moest het jaar 46 v. Chr. wel 445 dagen duren, want in de loop der tijden was een situatie ontstaan dat de berekende tijd niet meer met de werkelijkheid klopte. Zo viel bijvoorbeeld het lentepunt (ook wel lente-equinox of voorjaarsnachtevening genoemd) - dag en nacht zijn dan even lang (bij ons is dat op 21 maart) - niet meer in de lente. Het zomerpunt of zomersolstitium (bij ons de langste dag), het herfstpunt (ook wel herfst-equinox of najaarsnachtevening genoemd) - dag en nacht zijn weer even lang - en het winterpunt of wintersolstitium (bij ons de kortste dag) waren uiteraard eveneens verschoven. Verder was het handig om een jaar uit een geheel aantal dagen te laten bestaan. De aarde trekt zich echter niets van onze wensen en problemen aan en doorloopt zijn ellipsvormige baan om de zon in 365 dagen + 5 uur + 48 minuten + 46 seconden, het zogenaamde tropische jaar. Om niet weer uit de pas te lopen werd om de vier jaren een extra jaar, het zogenaamde schrikkeljaar, ingevoerd om de gedurende drie jaren te kort gekomen tijd te compenseren. Het Juliaanse kalenderjaar was echter wel 674 seconden langer dan het tropische jaar. Wordt met deze afwijking van ruim elf minuten geen rekening gehouden, dan krijgt men na verloop van tijd weer dezelfde situatie als daarvoor. Na zo'n 800 jaar bijvoorbeeld is de afwijking al zes dagen. Voer je geen correctie uit, dan vier je Kerstmis uiteindelijk in de zomer. Nou hoeft dat voor de meeste mensen geen probleem te zijn, want bijvoorbeeld voor de inwoners van Sydney in Australië worden er in hun winter (onze zomer) door restaurants in de Blue Mountains kerstdiners georganiseerd, daar het op 25 december vaak zo warm is dat de kaarsen in de kerstbomen smelten en men geen trek in een uitgebreide kerstmaaltijd heeft. Voor de geestelijken die zich met de berekening van heiligendagen en Paasdata bezighielden - en dat was vroeger een belangrijke bezigheid - was het echter wel ernstig. De enige oplossing was weer een kalenderaanpassing. Paus Gregorius XIII voerde daarom in 1582 een correctie van tien dagen uit en stelde het jaar op basis van toenmalige astronomische waarnemingen en berekeningen vast op 365 dagen + 5 uur + 49 minuten + 12 seconden, slechts 26 seconden langer dan het tropische jaar. Ook nu weer bestond in de praktijk een kalenderjaar uit 365 dagen. Om het tekort te compenseren werd tevens het systeem van schrikkeldagen aangepast. De door vier deelbare jaartallen werden schrikkeljaren, d.w.z. deze duren 366 dagen, behalve wanneer er een nieuwe eeuw begint. Is zo'n jaartal echter door 400 deelbaar, dan is het jaar wel een schrikkeljaar. Daarom zijn bijvoorbeeld 1700, 1800 en 1900 geen schrikkeljaren, maar het jaar 2000 weer wel. Tot op de dag van vandaag gebruiken wij dit Gregoriaanse kalendersysteem. Pas over ruim 2900 jaren moet er een extra schrikkeljaar worden ingevoerd om de jaarlijkse fout van 26 seconden te compenseren. Vooralsnog geen heet hangijzer.

De grote vraag die Illig zich nu stelt, is waarom er maar tien dagen zijn weggelaten. Want in 1582 waren er sinds 45 v. Chr. 1627 jaren verlopen, waarin de jaarlijkse fout van 674 seconden een afwijking van 12,7 dagen had gecreëerd. Dit betekent dat er geen 10 dagen verrekend hadden moeten worden, maar 13 dagen (een correctie kan alleen maar in hele dagen plaatsvinden)! Toch bleek de maatregel van de paus voldoende te zijn. Hoe komt dit? Heeft er eerder een correctie van drie dagen plaatsgevonden? Een gebeurtenis die daarvoor in aanmerking komt is het in 325 gehouden concilie van Nicea. Maar bij nader onderzoek is gebleken dat er toen geen kalenderaanpassing is doorgevoerd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat dit later is gebeurd. Wat betekent dit nu? Het vermoeden bestaat dat er geen correctie van drie extra dagen nodig was omdat de daaraan gecorreleerde tijd nooit heeft bestaan. Als we bedenken dat aan elke extra dag een periode van 128,1 (1627 : 12,7) jaren gekoppeld is, dan houdt dit in dat aan een tijdsbestek van minimaal twee en maximaal drie dagen een periode van 256 tot 384 jaren is gerelateerd. Op grond van nog een aantal andere overwegingen, die later aan de orde zullen komen, komt Illig tot de conclusie dat 297 jaren nooit hebben bestaan. Maar bewijs maar eens dat dit ook zo is, want niets wijst er op het eerste gezicht op dat er met onze geschiedenis is geknoeid.

Een reis door de geschiedenis

De historische gebeurtenissen zijn allemaal zo mooi beschreven dat je gaat twijfelen aan de bij de bovenstaande berekeningen gebruikte gegevens. Zijn ze eigenlijk wel juist? Misschien is het tropische jaar wel korter dan wij denken. Of de baan van de aarde om de zon is in de loop der eeuwen veranderd. Is de kalendercorrectie van Julius Caesar wel goed uitgevoerd? Op deze en aanverwante zaken is Illig uitvoerig ingegaan. Uiteindelijk komt hij toch tot de slotsom dat het tijdsbestek tussen Caesar en Gregorius eeuwen korter moet zijn geweest dan wordt aangenomen.

Waar moet je de fictieve tijd dan zoeken? Er bestaan toch lijsten met de namen van keizers, koningen en andere machthebbers die ooit hebben geregeerd? Ook alle pausen sinds Petrus zijn toch bekend? Dit alles is toch een stevig fundament onder onze tijdas? Bovendien is alles wat van hen bekend is, beschreven. Talrijke schriftelijke bronnen, zoals oorkonden, documenten e.d. op papyrus, papier of perkament getuigen hiervan. Maar papier is geduldig en een kroniek is zo vervalst of verzonnen. Aan originele bronnen wordt minder snel getwijfeld als ze uit de tijd zelf stammen, maar ook dan moet je oppassen. Er zijn hiervan genoeg vervalsingen bekend. Van een copie weten we zeker dat deze van latere datum is. Of het een exacte copie is of een vervalsing, zul je van geval tot geval moeten onderzoeken. Zelfs inscripties in steen, in brons, in hout, in marmer of in andere materialen mag je niet zomaar vertrouwen. Kortom, met schriftelijke bewijzen moet je voorzichtig zijn.

Gelukkig zijn er andere getuigen. Waar mensen zijn geweest, zijn restanten. Boven of in de grond. Bijvoorbeeld potscherven, aardewerk, ruïnes, gebouwen en munten. Juist de archeologische vondsten zijn van essentieel belang bij onze zoektocht naar de historische waarheid. Laten we daarom eerst eens gaan kijken naar de nalatenschap van onze verre voorouders.

Na Julius Caesar volgde een lange rij Romeinse keizers. Zij leven voort in wat zij hebben nagelaten. Voorbeelden zijn aquaducten, kerken, badhuizen en mozaïeken. Zelfs de wal van Hadrianus - een ongeveer 130 km lange verdedigingsmuur tegen de Picten en Scoten - kunnen we heden ten dage nog in Groot-Brittannië bewonderen. Hoewel in 330, het jaar waarin Constantinopel Rome als hoofdstad opvolgde, het Westromeinse Rijk aan betekenis verloor, gingen de bouwactiviteiten onverminderd door; ook na de invallen van de Westgoten (410), de Vandalen (455) en de Oostgoten (537). In het Oostromeinse Rijk was men eveneens actief. Beroemd zijn de verdedigingsmuren met een totale lengte van 20 km die Theodosius II in de jaren tussen 412 en 424 om Constantinopel liet bouwen. Ze waren dubbel uitgevoerd, met talrijke torens, en omringd door een gracht. Ze vormden de grote verdedigingskracht van de stad die in haar geschiedenis van 1000 jaren, slechts tweemaal is ingenomen: tijdens de 4de kruistocht (1204) en in 1453 door de Turken. Onder keizer Justinianus I (527-565) kent het rijk zelfs een grote bloeiperiode. Zijn regering wordt gewoonlijk beschouwd als het hoogtepunt van keizerlijke macht over de Kerk. De bouwactiviteiten bereikten een hoogtepunt. Talrijke kerken verrezen, waaronder in Constantinopel de hoofdkerk, de Hagia Sophia, het meest roemrijke monument van de Byzantijnse beschaving. Tot in het begin van de zevende eeuw werd er gebouwd. En dan houdt elke vorm van activiteit op en beginnen de donkere middeleeuwen.

Bekijken we de situatie in het Westen, dan zien we dat Rome ten tijde van de hiervoor genoemde paus Gregorius XIII een imposante stad was met prachtige kerken en paleizen. Gaan we terug in de tijd, dan ontmoeten we kunst- en bouwwerken uit de vroegbarok, de Renaissance en de gotiek. Uiteindelijk komen we Romaanse stijlen tegen en zo tegen het midden van de tiende eeuw houdt elke bouwactiviteit op. We stuiten ook hier op een volledig duistere periode, de donkere middeleeuwen, waarin niets tot stand wordt gebracht.

Op het eerste gezicht zou men kunnen concluderen dat het een aaneengesloten periode van duisternis was tussen ruwweg 600 en 1000. Graven we dieper in de geschiedenis, dan blijkt dat deze tijd volgens Ferdinand Gregorovius [Gregorovius 1978] in drie perioden kan worden verdeeld:

560 - 774 de eerste twee donkere eeuwen,

774 - 820 de Karolingische Renaissance,

820 - 955 de tweede donkere tijd.

Daar de grenzen zich niet exact laten vastleggen, is gekozen voor een aantal opvallende gebeurtenissen. Na plunderingen van de Westgoten, de Vandalen en de Oostgoten begint in 560 het verval van Rome en gaan in Europa de lichten uit. Aan deze donkere tijd komt een einde wanneer Karel de Grote de Longobarden in 774 overwint. Er vindt overal een opleving plaats, de zogenaamde Karolingische Renaissance, die maar eventjes duurt. In 820 treedt de duisternis opnieuw in. Pas vanaf het midden van de tiende eeuw leeft Europa opnieuw op.

De Karolingische Renaissance

Plotseling verscheen Karel de Grote op het Europese toneel, als een bliksemstraal die de aarde een ogenblik verlichtte en meteen daarna in een nachtelijke duisternis achterliet. Wat Karel in die tijd tot stand heeft gebracht, is te veel om op te noemen. In de inleiding merkten we al op dat er zo'n 313 bouwwerken zijn verrezen Een van de belangrijkste gebouwen is de paleiskapel (Pfalzkapelle) te Aken. Laten we deze eens nader bekijken.

De paleiskapel

Omstreeks 800 maakte Karel Aken het centrum van zijn grote Europese rijk, het Rome van het Noorden. Hier had hij zijn hoofdverblijf en bouwde de Pfalzkapelle Deze kapel vormt de kern van het gebouw dat we tegenwoordig als de Dom van Aken kennen. De bouwdatum is niet exact bekend, maar volgens de overlevering gaf paus Hadrianus in 786/787 toestemming voor het transport van marmer van Italië naar Aken. De pilaren werden in 798 opgericht. In 799/800 werden de relikwieën naar de kerk overgebracht. De inwijding zou in 805 door paus Leo III hebben plaatsgevonden. Toen Karel in 814 stierf, werd hij in de kapel begraven. Met de kroning van Otto I in 936 begon de traditie van de kroningen in Aken, die 600 jaar heeft geduurd. In de 15e eeuw vond de grootste uitbreiding plaats. Diverse kapellen werden aangebouwd. Aan de zuidzijde verrezen in 1414 de Matthiaskapel en in 1449 de Annakapel. De Hongaarse kapel was reeds in 1367 voltooid, maar is in de periode 1756-1767 vervangen. Aan de noordzijde bevinden zich de kapel van Karel en Hubert (1455-1474) en de Nicolaaskapel (voor 1487).

Volgens de overlevering is Karel een van de architecten van de paleiskapel. Hij werd bijgestaan door o.a. Ansegenis (of Ansignis) uit Saint-Vaudrille, Odo van Metz en Einhard (Eginhard) Wat aan de kapel opvalt, is zijn achthoekige stenen koepel (octogoon). De diagonaal heeft een lengte van 15,65 meter, terwijl de overspanning van muur tot muur 14,45 meter bedraagt. Dit zijn maten die bij de meeste Romaanse en gotische kerken nimmer zijn bereikt. Verbazingwekkend is zelfs dat de koepel uit massieve hardsteen bestaat met een minimale dikte van 86 cm. Eeuwenlang bleef deze bouwkundige constructie de hoogste en breedste stenen overspanning ten noorden van de Alpen. Het is heel bijzonder dat de koepel van hardsteen is, want uit een bouwkundig-statisch oogpunt stelt de bouw van koepels de allerhoogste eisen aan het praktisch inzicht en het vernuft van de bouwmeesters. Het kernprobleem hierbij is steeds de zijdelings gerichte krachten van de constructie een doelmatig tegenwicht te geven. Reeds de Romeinen waren hierin meesters, zoals blijkt uit het klassieke voorbeeld van het Pantheon te Rome met een inwendige middellijn van 43 m. Hiervoor hadden zij in de eerste eeuw v. Chr. een speciale techniek ontwikkeld. Als materiaal gebruikten zij puzzolaanaarde met stenen toevoegingen. Zo ontstond hun zogenaamde opus Caementitium, waaraan het bouwmateriaal cement zijn naam heeft ontleend. Dergelijke koepels veroorzaken nauwelijks zijdelingse krachten, waardoor grote spanwijdten mogelijk zijn. Zo konden de Romeinen de koepel van het Pantheon bouwen en die van de Caracalla-Thermen van meer dan 30 m.

De Byzantijnen pasten een andere bouwtechniek toe. De koepels werden van spiraalvormige in elkaar geschoven amforen en mortel gebouwd, waardoor eveneens lichte constructies mogelijk waren. In 548 kreeg de basiliek San Vitale in Ravenna zijn koepel met een diameter van 15,60 m. en een dikte van 30 cm. De Hagia Sophia in Constantinopel werd in 537 gesloten met een koepel met een middellijn van ongeveer 33 m. Sinds de dood van Justinianus in 565 werd in het Byzantijnse Rijk geen koepel meer gebouwd. Voor het West-Romeinse Rijk gold dit vanaf de vijfde eeuw.

Gedurende zo'n 300 jaren lag de koepelbouw in Europa stil. Pas in Aken werd de draad weer opgepakt. Het is echter volledig onduidelijk hoe de bouwmeesters aan hun specifieke kennis kwamen voor het bouwen van zo'n monumentale koepel op zo'n grote hoogte (ruim 30 m.). Want hoe hoger de koepel, hoe moeilijker het wordt de zijdelingse krachten op te vangen. Na dit staaltje van techniek zou het echter een paar eeuwen duren voordat de koepelbouwkunst een vervolg kreeg. Maar toen moesten ze wel helemaal opnieuw beginnen.

Aan het bestaan van de paleiskapel kan niet worden getwijfeld. Je mag van een wonder spreken. De vraag is of het ook een Karolingisch wonder is. Is de kapel wel in het begin van de negende eeuw gebouwd? Bekijken we de kapel nader, dan blijkt dat er nog 23 andere ongerijmdheden zijn. Het voert te ver om deze hier uitvoerig te behandelen. Daarvoor zij verwezen naar de boeken van Illig. Hij komt tot de conclusie dat de kapel niet eerder dan aan het eind van de tiende eeuw gebouwd kan zijn. De koepel doet vermoeden dat het nog wel een eeuw later kan zijn.

Andere bouwwerken

Karel en zijn beide opvolgers Lodewijk I en Lotharius I hebben in de periode 768-855 volgens de overlevering 27 kathedralen, 100 paleizen en 417 kloosters laten bouwen. Alleen al in de 44 jaar dat Karel op oorlogspad was, werden er 16 kathedralen, 65 paleizen en 232 kloosters gebouwd. Van al deze bouwwerken is nauwelijks meer iets overgebleven. Van deze restanten heeft men vastgesteld dat ze niet uit de Karolingische tijd kunnen stammen. Ze zijn allemaal van veel latere datum!

De kroningskerk

Hiervoor is opgemerkt dat vanaf 936 de Duitse koningen in de paleiskapel werden gekroond. Als de kapel pas aan het eind van de elfde eeuw gebouwd is, moeten we ons afvragen waar de kroningen van 936, 961, 983, 1028, 1054, 1087 en misschien 1099 dan wel hebben plaatsgevonden. Een kerk die hiervoor in aanmerking lijkt te komen, is de van Romeinse origine Sankt Gereon in Keulen. Deze, naar alle waarschijnlijkheid gesticht door keizerin Helena, is als Martelarenkerk gebouwd in een buitengewone tienhoekige bouw. Met het uiterlijk van een basiliek en zijn contacten met de vorstenhuizen is het zeer goed denkbaar dat in deze kerk in de tiende en elfde eeuw de kroningen hebben plaatsgevonden. Tegenwoordig bevindt de kerk - met een vroeg-Romaanse crypte en een mozaïekvloer uit de 11e eeuw - zich aan de Christophstrasse.

Karolingische cultuur

Volgens de overlevering gaf Karel de stoot tot de grote bloei van letteren, kunst en wetenschap in de achtste en negende eeuw. Hij bevorderde deze waar hij kon. Aan zijn hof verzamelde hij een kring van geleerde mannen uit alle delen van het rijk, zoals de Angelsaks Alcuinus, de Lombard Petrus Diaconus, de Frank Einhard en de Spanjaard Theodulphus. Dezen vormden onder leiding van Alcuinus de academia palatina, waar antieke literatuur gelezen en besproken werd. Einhard was de biograaf van Karel de Grote die in zijn Vita Caroli een levendige beschrijving heeft gegeven van Karels uiterlijk en gewoonten.

De Karolingische Renaissance ligt voornamelijk op het gebied van taal en letterkunde. Zo is bijvoorbeeld de mooie, duidelijke Karolingische minuskel (kleine letter) ontstaan uit de Angelsaksische, welke eind zevende eeuw gevormd werd uit de unicaal, die men voor het overschrijven van boeken gebruikte. Het evangeliarium van Godescale, bekend om zijn miniaturen, is het oudst gedateerde handschrift (781-783) in Karolingische minuskel.

Volgens de beschrijving van Ermoldus Nigellus bevatte de kapel te Ingelheim wand-schilderingen met voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament. Karel de Grote zag in de schilder- en beeldhouwkunst een mogelijkheid de Bijbel ook voor ongeletterden toegankelijk te maken. Van deze schilderingen is niets bewaard gebleven. De schilderkunst leeft nog wel voort in de miniaturen, zoals in de handschriften die tot de zogenaamde Ada-groep behoren, waartoe o.a. het hierboven reeds genoemde evangeliarium wordt gerekend. Ander voorbeelden zijn het purper evangeliarium dat Otto III bij de grafopening in het jaar 1000 op Karel de Grote's knieën vond, en het zich in de universiteitsbibliotheek van Utrecht bevindende psalterium. Het handschrift met de grootste verfijning en rijkste versiering is de bijbel voor Karel de Kale.

Tenslotte worden hier nog de plastische kunstuitingen genoemd. Deze zijn alleen nog in ivoor en metaal bewaard gebleven. Het belangrijkste in metaal gedreven stuk is het Paliotto van Wolvinus in San Ambrogio te Milaan. Deze altaarbekleding in goud en verguld zilver heeft sierlijke reliëfs van gebeurtenissen uit het leven van Christus en St Ambrosius. Met zijn lengte van 2,20 m, zijn hoogte van 0,85 m en zijn diepte van 1,22 m is het een gigantisch voorbeeld van goudsmeedkunst. Van de voor boekbanden gesneden ivoren plaketten is meer bewaard gebleven. Een bekend stuk is de band van het evangeliarium longum in St Gallen.

Tot zover dit overzicht van enkele kunstuitingen die aan de Karolingische tijd worden toegeschreven. Het kan niet ontkend worden dat de meeste hiervan en vele andere ook tegenwoordig nog bestaan. De vraag is echter of deze kunstwerken ook uit de genoemde tijd stammen. Het antwoord van Illig - hij besteedt er in zijn boeken vele tientallen bladzijden aan - is ontkennend. Uit onderzoek van kunsthistorici is duidelijk gebleken dat deze kunst niet van Karolingische origine kan zijn. Sommige werken stammen uit een vroegere tijd en de rest is van veel latere datum. Zelfs de aan Einhard toegeschreven Vita Caroli is een vervalsing. Deze biografie van Karel de Grote is in de twaalfde eeuw verschenen en is een bewerking van de door de Romeinse historicus Suetonius (ca 77- ca 130 na Chr.) geschreven biografie (De vita Caesarum) van keizer Augustus.

Op grond van het voorgaande kan men rustig stellen dat er toch iets vreemds aan de hand is met de Karolingische tijd. Wanneer men de overige activiteiten van Karel analyseert dan wordt deze conclusie alleen nog maar versterkt. De behandeling hiervan laten we in dit artikel achterwege, want er zijn nog een paar interessantere onderwerpen die we hier de revue willen laten passeren.

Vikingen

Volgens de overlevering plunderden Scandinavische zeerovers, gewoonlijk vikingen of Noormannen genoemd, van de achtste tot de elfde eeuw vrijwel alle kusten van Europa. Vanaf 793 hebben zij zich in beweging gezet in een kolossale Noordgermaanse volksverhuizing. Ruim tweehonderd jaar lang hebben zij als piraten de toenmalige wereld schrik aangejaagd. Zij verwoestten o.a. Hamburg, Keulen, Londen en Parijs. De annalen berichten uitvoerig over deze verschrikkingen. Zij stichtten rijken in Rusland, in Frankrijk, in Engeland en op Sicilië. Zij ontdekten IJsland, Groenland en Noord-Amerika, en vestigden zich daar. Ze speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van het Oostromeinse Rijk en van de kruistochten. Opvallend is dat bijvoorbeeld de Duitse steden destijds nauwelijks weerstand konden bieden omdat de stadsmuren ontbraken. Ten tijde van de Merovingers waren de van oorsprong Romeinse muren nog verbeterd, ook al waren er geen vijanden. De Karolingers pleegden helemaal geen onderhoud. Uit armoede, domheid of trots? Pas toen de Hongaren een bedreiging vormden bouwden de steden weer verdedigingsmuren: Regensburg in 917 en Keulen in 948.

Hoewel ze in Europa behoorlijk te keer zijn gegaan, zijn hiervan nauwelijks archeologische bewijzen. Waar zijn alle afgeschoten pijlen gebleven? Slechts een enkel zwaard is gevonden. Graven zijn er nauwelijks: in Engeland enkele tientallen, op het continent slechts drie. Toch vreemd als men bedenkt dat de vikingen omstreeks 850 over ruim 700 schepen en 30.000 tot 50.000 man beschikten. Wat is er waar van de bewering dat Trier in 882 op Witte Donderdag ernstig werd verwoest? Wanneer een kerk werd geplunderd en in brand werd gestoken, dan zou deze toch weer worden opgebouwd en opnieuw ingewijd worden? Voor de twee basilieken St. Maximin en St. Paulin heeft men dit in ieder geval niet kunnen vaststellen. Of zouden de vikingen deze twee kerken hebben overgeslagen? Maar ook de kerken buiten de stadsmuur van Trier vertonen geen sporen van verwoesting. Keulen moet in 881 door de Noormannen zijn ingenomen, maar er bestaat geen enkele archeologische aanwijzing dat dit ook is gebeurd. De verwoesting van Worms in 891 blijkt een verzinsel te zijn. De aanvallen op Parijs in 845 en 866 waren geweldige prestaties. Je moet wel moed hebben om met honderden boten de Seine op te varen en ondertussen te worden beschoten door Frankische ridders op de oever. Maar hebben ze ook plaatsgevonden? En zo kunnen we nog wel even doorgaan met het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de schriftelijke overleveringen over de vikingtijd voor het begin van de tiende eeuw. Steeds blijkt dat de beweringen niet door archeologische vondsten worden ondersteund.

Het eerste feit dat wel op waarheid berust is dat in 911 een verdrag werd gesloten tussen Rollo, een van de invloedrijkste aanvoerders van de Noormannen, en de Franse koning Karel III. De Noormannen mochten in het land blijven en de veroverde gebieden houden. Als tegenprestatie beloofden zij: collectieve doop, overname van de kustverdediging en erkenning van de Franse koning als hun leenheer. Het land tussen Eure en Epte, het latere hertogdom Normandië, was vanaf dat jaar van de Noormannen.

Het zal duidelijk zijn dat wegens het ontbreken van archeologische bewijzen de verhalen m.b.t. de periode voor 911 sterk moeten worden betwijfeld. Daarna zijn ze betrouwbaarder. Volgens Illig is het jaar 911 dan ook het einde van de fantoomtijd. Het begin ligt zo'n drie eeuwen vroeger, zeer waarschijnlijk in het jaar 614. In dat jaar werd namelijk Jeruzalem door de Perzen verwoest, een feit dat niet valt te ontkennen. Tot overmaat van ramp werd ook nog het heilige kruis mee naar Perzië genomen. Alles wat zich in de tussenliggende 297 jaren volgens de geschiedenisboeken heeft afgespeeld kan dus niet in die periode hebben plaatsgevonden. Gebeurtenissen die aan die periode worden toegeschreven, zijn of verzonnen of vallen buiten dit tijdsbestek.

Islam

Aan het bestaan van de islam kan niet worden getwijfeld, maar deze wereldgodsdienst is volgens de overlevering nu net wel in de onderhavige periode ontstaan en tot grote bloei gekomen. Wanneer werkelijk sprake is van een fantoomtijd, dan moet de ontwikkeling van deze godsdienst anders zijn geweest dan de geschiedenisboeken ons vertellen. En wat vertellen ze? In mijn oude schoolboek [Rijpma 1948] staat o.a. het volgende:

"Tot ongeveer 600 was Arabië een onbetekenend woestijnland geweest, waar geen der veroveraars uit de oudheid zich mee bemoeid had. De bevolking was onbeschaafd en heidens; men aanbad als andere natuurvolken verschillende goden. Vooral een heilige zwarte steen, die te Mekka ingemetseld was in een gebouwtje, de Kábah, vond veel vereerders. Maar omstreeks 600 trad Mohammed, een eenvoudige kameeldrijver, later koopman, uit Mekka, op als stichter van een nieuwe monotheïstische godsdienst en daardoor veranderde de toestand totaal. Mohammed, die op zijn handelsreizen kennis gemaakt had met Joden en Christenen en hun godsdienst veel hoger stelde dan het Arabische veelgodendom, kwam na vele overpeinzingen en lange afzondering tot de vaste overtuiging, dat God hem tot profeet had uitverkoren om het ware geloof aan de mensen te brengen. Hij verkondigde dat er één God bestaat, Allah, aan wie men zich geheel moet overgeven, en dat Mohammed zijn profeet is..Door bekering en door het voeren van de heilige oorlog behoort de ware leer steeds verder verbreid te worden. De strijder behoeft voor geen gevaar te vrezen, daar het lot van de mens door Gods onveranderlijk besluit van te voren is vastgesteld en niemand zal kunnen sterven voor zijn tijd gekomen is. De gevallene wordt in het paradijs opgenomen, een heerlijk oord met frisse stromen, dat beschreven wordt als een verrukkelijke oase in de schroeiende woestijn".

Even verder lezen we:

"Toen Mohammed met zijn prediking begon en zich Gods profeet noemde, vond hij bij zijn stadgenoten weinig geloof. Hij vetrok daarom in 622 naar Medina, waar hij veel aanhangers had. Dit vetrek van de profeet uit Mekka nemen de Islamieten als begin van hun jaartelling. Na enige jaren keerde Mohammed zegevierend naar Mekka terug en bij zijn dood in 632 was geheel Arabië voor de Islam gewonnen. Onder de kaliefen (= plaatsvervangers, nl. van Mohammed) werd het rijk der Arabieren geweldig uitgebreid. Binnen een tiental jaren was het Nieuw-Perzische rijk ten val gebracht en aan de Oost-Romeinen Palestina, Phoenicië, Syrië en Egypte ontnomen. Door onderlinge strijd over de opvolging werden de Moslims tijdelijk verzwakt, maar nadat omstreeks 660 het kalifaat aan het geslacht der Ommayaden was gekomen, die Damascus tot hun residentie maakten, begonnen de veroveringen opnieuw."

De Arabieren rukten steeds verder op totdat zij in 732 bij Poitiers door de Franken worden teruggeslagen. Uiteindelijk ontstaat er een islamitisch wereldrijk dat zich in 750 uitstrekte van de Atlantische Oceaan tot de Indus.

Als twaalfjarige, want voor deze leeftijdsgroep was dit schoolboek destijds geschreven, neem je dit soort verhalen als waar aan. Maar is het ook zo in werkelijkheid gebeurd? Want het is toch ongelofelijk dat er slechts drie decennia nodig waren om een heel land tot de islam te bekeren en iets meer dan een eeuw om een wereldrijk te stichten. Wonderbaarlijk snel in vergelijking met het christendom dat meer dan drie eeuwen nodig had om tot een staatsgodsdienst uit te groeien.

Je moet wel van goede huize komen om de hierboven geschetste ontwikkeling van de islam te weerspreken. En toch is dat gebeurd, en wel door de vooraanstaande islamkenner, Günther Lüling. Volgens hem is de islam van joods-christelijke origine. Dit betekent dat deze godsdienst al veel eerder is ontstaan dan tot nu toe wordt aangenomen. Het sterke vermoeden bestaat dat dit al in de vierde eeuw is gebeurd, daar Mohammed de ideeën van het Arianisme aanhing, Deze stroming binnen het christendom is genoemd naar de priester Arius die omstreeks 300 uit Libië naar Alexandrië in Egypte was gekomen en daar in conflict kwam met zijn bisschop Alexander. Arius was van mening dat Jezus geen god, maar een mens was. Zijn standpunt week af van de toen algemeen geldende leer dat Jezus niet alleen Gods zoon, maar ook zelf een goddelijke persoon was. Niettemin kreeg Arius veel aanhangers met als gevolg dat hij op de Grote Synode in 318 uit de Christelijke Kerk werd gestoten. Deze geloofsstrijd heeft tientallen jaren geduurd. Om het probleem op te lossen riep keizer Constantijn in 325 de bisschoppen uit alle delen van het Romeinse Rijk op naar zijn zomerpaleis in Nicea bij Byzantium te komen. Dit Concilie van Nicea, het Eerste Oecumenische Concilie, was een zeer belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van het christendom. Het Arianisme werd als ketterij veroordeeld en de leer werd aanvaard dat Jezus geen mens kon zijn geweest. Op het tweede oecumenische concilie in 381 in Constantinopel (sinds 330 de nieuwe naam voor Byzantium) werd de Heilige Geest als derde deel aan de christelijke godheid toegevoegd. Sindsdien gold binnen de Christelijke Kerk het leerstuk, volgens welke in het ene ondeelbare wezen van God drie goddelijke personen bestaan, onderling werkelijk onderscheiden: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; de zogenaamde Heilige Drie-eenheid.

Vanaf 325 werden de aanhangers van het Arianisme vervolgd en 297 jaren later, in 622, vluchtte de Ariaan Mohammed uit Mekka. In 313 begon Arius met zijn beweging en 297 jaren later, in 610, trad Mohammed voor het eerst op als profeet. Arius werd in 336 vermoord en 296 jaren later, in 632, stierf Mohammed. Als we bedenken dat voor de Arabieren het jaar waarin Mohammed vluchtte, het eerste jaar van hun nieuwe jaartelling is, d.w.z. het jaar 622 AD is hun jaar 1 AH (Anno Hegirae, waarbij Hegirae de Latijnse benaming is voor het Arabische woord Hedsjra, dat vlucht betekent), dan kunnen we ook zeggen: Mohammed vluchtte in 1 AH en stierf in 11 AH. Als we ons verder realiseren dat de islam voortbouwt op de traditie van de Ebionieten, een sekte die tot omstreeks 400 historisch te traceren is en daarna volledig van het toneel is verdwenen - dus ruim tweehonderd jaren voor het optreden van Mohammed -, kunnen we ons afvragen of Mohammed door de latere geschiedschrijvers wel in het juiste tijdvak is geplaatst. Gezien het voorgaande, ligt het voor de hand om Mohammed drie eeuwen eerder te plaatsen en de islamitische jaartelling te laten beginnen in het jaar 325, d.w.z. 325 AD = 1 AH. We kunnen dan ook beter begrijpen waarom Mohammed uit het christelijke Mekka - toen nog onderdeel van het Romeinse Rijk - naar de joden van Yathrib (Medina) vluchtte. Tevens hoeft dan niet meer de islamitische jaartelling met 297 jaren te worden ingekort, daar het beginpunt over een zelfde tijdsafstand naar voren is verschoven. Verder zijn er aanwijzingen dat de nieuwe godsdienst zich in alle rust heeft ontwikkeld en dat de verbreiding van de islam minder gewelddadig is geweest dan ons is verteld. En wat de grote nederlaag in 732 bij Poitiers betreft, alle Arabische bronnen zwijgen hierover, terwijl er volgens de westelijke kroniekschrijvers minstens 200.000 gesneuvelde Saracenen ten zuiden van de Loire zouden moeten liggen. Zelfs voor een eventueel verblijf van de Mohammedanen in Spanje voor het begin van de tiende eeuw ontbreekt elk archeologisch bewijs.

Het begint er inmiddels op te lijken dat de periode van 614 tot 911 ook voor de Arabieren niet heeft bestaan. Onze laatste strohalm is nog een mogelijke vermelding van Karel de Grote in de Arabische kronieken. Helaas, ook zijn naam komt hierin niet voor. Zelfs dat de kalief van Bagdad, de enigszins sprookjesachtige figuur van Harun al-Rasjid, hem een olifant heeft gegeven, schijnt een verzinsel te zijn. Kortom, ook de geschiedenis van de islam volgens de nieuwste inzichten ondersteunt de mogelijkheid van een fictieve periode.

Astronomische aanwijzingen

Wat vertellen de sterren en ons zonnestelsel ons over de juiste tijd? Als de aarde een rondje om de zon heeft gemaakt, weten we dat we weer een jaar ouder zijn geworden en dat we met zijn allen een reis van ongeveer 939 miljoen km hebben gemaakt. Wanneer we het aantal rondjes sinds het begin van onze jaartelling zouden weten, wisten we precies in welk jaar we leven. Zoals bekend, wordt algemeen aangenomen dat dit het jaar 2000 AD is. Wat we toevallig wel weten zijn de posities van de aarde ten opzichte van de ster Spica in het sterrenbeeld de Maagd ten tijde van keizer Augustus (63 v. Chr. - 14 n. Chr.) en in 1900 AD. In deze periode bedroeg de precessie (beweging van het lentepunt ten opzichte van de sterren) 22,4. Daar elke graad overeenkomt met 72 jaren, betekent dit dat in 1900 AD sinds Augustus' tijd 1572 (22,4 x 72) jaren zijn verlopen of 1672 jaren in 2000 AD. Dit is een verschil van 328 jaren. Afhankelijk van meetfouten kan het verschil meer of minder zijn. Bij een meetfout van bijvoorbeeld een halve graad is de afwijking al 36 jaren en bedraagt het tijdsverschil 292 jaren. Hier hebben we dus een eerste astronomische aanwijzing dat onze chronologie niet klopt.

Een andere aanwijzing is van de Rus Morosov (1854-1946). Hij publiceerde in 1907 het in 1912 in het Duits vertaalde boek Die Offenbarung Johannis. Hij vond in het bijbelboek De Openbaring van Johannes in het Nieuwe Testament aanwijzingen voor een bijzondere hemelse gebeurtenis. Hij interpreteerde de tekst als een beschrijving van een geweldig onweer dat de sterrenhemel in een duisternis hulde en van vier aardbevingen vergezeld ging. Volgens zijn berekening (terugrekening) zou dit natuurgeweld op 30 september 395 op het eiland Patmos hebben plaatsgevonden. De hiermee gepaard gaande zonsverduistering heeft in werkelijkheid precies een jaar later plaatsgevonden, maar was op Patmos niet te zien (mogelijk een rekenfout van Morosov). Johannes zou volgens zijn eigen verklaring zijn boek Openbaring direct hierna hebben geschreven. Morosov was dan ook van mening dat dit bijbelboek uit een veel latere periode stamt dan algemeen wordt aangenomen. Volgens hem was de auteur Johannes Chrysostomus (ca 354-407), een patriarch van Constantinopel. De gangbare mening is echter dat het boek in de eerste eeuw van onze jaartelling is geschreven, dus zo'n drie eeuwen eerder. Wanneer Morosov de tijdsafstand tot de desbetreffende natuurramp goed heeft teruggerekend, dan kan dit alleen maar betekenen dat er ook nu weer fictieve jaren in het geding moeten zijn.

We zijn hierbij voorbijgegaan aan de vraag of de bijbel de waarheid spreekt. Mag je bepaalde gebeurtenissen voor waar aannemen, zoals Morosov heeft gedaan? Volgens de Australische theologe Barbara Thiering zijn sommige bijbelverhalen op twee niveaus geschreven. Je kunt ze of letterlijk opvatten, of als het ware decoderen waardoor de werkelijke bedoeling van de schrijver duidelijk wordt. Na jaren van wetenschappelijk onderzoek is zij tot de conclusie gekomen dat de vier Evangeliën, de Handelingen der Apostelen en de Openbaring van Johannes uit het Nieuwe Testament een dieper liggende betekenis hebben. Voor velen is het boek Openbaring een mysterieus document dat zich moeilijk laat lezen. Wanneer je dit boek echter met behulp van de zogenaamde peshertechniek decodeert, ontstaat er een veel begrijpelijker verhaal - een voor menig gelovig christen schokkend relaas - dat de gebeurtenissen van de christelijke beweging beschrijft in de eerste tientallen jaren na de kruisiging van Jezus [Thiering 1995]. De natuurverschijnselen waarvan Morosov is uitgegaan, worden door Thiering heel anders opgevat. Als zij gelijk heeft, vervalt zijn bewijs.

Toch zou het mogelijk moeten zijn om de these van de fantoomtijd veel eenvoudiger te weerleggen. Want er zijn immers in de loop der eeuwen talloze zons- en maansverduisteringen en andere hemelverschijnselen opgetekend die met onze huidige astronomische kennis gemak- kelijk verifieerbaar zijn. Van de zonsverduisteringen tussen 400 en 1250 is door de Amerikaanse astronoom Robert R. Newton een compleet overzicht samengesteld [Newton 1972] om na te gaan of er in de loop der tijden veranderingen waren opgetreden in de rotatie van de aarde en de baan van de maan. Hij heeft hierbij gebruik gemaakt van diverse bronnen uit verschillende Europese landen en het Heilige Land. Er waren meer dan 2000 berichten over zonsverduisteringen. Tweederde hiervan bleken copieën van onafhankelijke bronnen te zijn. Slechts 629 berichten waren een nader onderzoek waard wat opleverde dat vele vermeldingen niet juist waren. Soms waren de berichten zo gedetailleerd dat het van te voren al duidelijk was dat deze niet konden kloppen, daar men in de desbetreffende tijd nog niet over de daarvoor benodigde instrumenten beschikte. Hier was dan ook duidelijk sprake van terugrekeningen in latere tijden. Voor de periode van 600 tot 900 na Chr. waren er van de 183 vermeldingen in Europa slechts 27 onafhankelijke berichten die door Christian Blöss [Blöss 1995] zijn onderzocht. Hij komt tot de conclusie dat alle vermelde data fout zijn en dat de desbetreffende middeleeuwse documenten niet in deze periode zijn geschreven Dit betekent dat de vermelde zonsverduisteringen nimmer zijn waargenomen, maar later zijn berekend. Iets dergelijks was Ginzel al in het begin van de vorige eeuw opgevallen voor de tiende eeuw [Ginzel 1906-1914], waarin de vermelde zonsverduisteringen een fout van ongeveer drie dagen vertonen.

Het begint er steeds meer op te lijken dat de desbetreffende middeleeuwen - waarvoor alle astronomische waarnemingen door monniken zijn berekend - niet donker waren, maar onzichtbaar waren omdat ze niet bestonden.

Waarop baseerden zij hun berekeningen? Tot in de eerste helft van de zestiende eeuw, toen Copernicus (1473-1543) in zijn De Revolutionibus Orbium aantoonde dat de vaste sterren en de zon stilstonden en de aarde zich dagelijks om haar as wentelde en in een cirkelbaan om de zon bewoog, was de in de Almagest neergelegde wetenschap de enige astronomische kennis waarover men beschikte. Dit was de Arabische naam voor het samenvattende handboek van de antieke geocentrische astronomie (de aarde rust in het middelpunt van het heelal) dat door de in de tweede eeuw na Chr. in Alexandrië geboren Griekse astronoom, geograaf en wiskundige Claudius Ptolemaeus was geschreven. Het berust voor een groot deel op werken van zijn voorgangers, in het bijzonder op die van Timocharis (derde eeuw voor Chr.) en Hipparchos (tweede eeuw voor Chr.). De hierboven genoemde Robert Newton heeft ook dit werk van Ptolemaeus aan een kritische beschouwing onderworpen [Newton 1976 en 1977]. Zijn conclusie is vernietigend. Hij beschuldigt de beroemdste van alle antieke astronomen van wetenschappelijk bedrog. Niet alleen heeft hij zijn tijdgenoten bedrogen, maar ook zijn opvolgers door te beweren dat hij de hemelverschijnselen zelf had waargenomen. De misdaad van Claudius Ptolemaeus (zo luidt de titel van het desbetreffende boek van Newton) is dat hij alle vermelde gegevens heeft berekend en niet zelf heeft waargenomen. Bovendien kloppen zijn gegevens niet. Newton staat met zijn bevindingen echter niet alleen Reeds in de zeventiende eeuw had Ismael Bouillard al vastgesteld dat de Almagest fouten bevatte en in de negentiende eeuw kwam de Fransman Delambre tot dezelfde conclusie [Delambre 1817].

Maar is Ptolemaeus werkelijk zo'n grote bedrieger? Het is moeilijk te accepteren dat dit inderdaad zo is. Want wat zouden zijn bedoelingen dan zijn geweest? Natuurlijk kan hij fouten hebben gemaakt, maar hij kan het toch niet in alle gevallen mis hebben? Vermoedelijk is er iets anders aan de hand. Newton gaat op deze kwestie niet verder in, maar in de boeken van Illig en Topper wordt hieraan wel aandacht besteed. Beide auteurs komen o.a. op grond van enkele andere waarnemingen uit de antieke oudheid, waarvan ook door Ptolemeaus melding wordt gemaakt, tot de conclusie dat de tijdsafstand tot Ptolemaeus korter moet zijn dan tot nog is aangenomen. Wanneer Newton dit had geweten, was zijn oordeel over Ptolemaeus zeer waarschijnlijk milder geweest.

Een wel heel bijzondere hemelgebeurtenis was de ster van Bethlehem tijdens de geboorte van Jezus. Nog steeds weten we niet wat er toen precies is voorgevallen. Was het een komeet die werd waargenomen, een conjunctie van een aantal planeten of een ander fenomeen? Volgens Kepler vond in het jaar 7 v. Chr. (Jezus' geboortejaar) een drievoudige conjunctie van de planeten Jupiter en Saturnus in het sterrenbeeld Vissen plaats. Dit wordt bevestigd door een Babylonisch kleitablet met de planetenposities voor de periode van 1 april 7 v. Chr. tot 19 april 6 v. Chr. in spijkerschrift. Het merkwaardige is echter dat in die tijd nog spijkerschrift werd gebruikt, want sinds Alexander de Grote (356-323 v. Chr.) en de opkomst van het Hellenisme was Grieks de wereldtaal geworden. Waarom zou men nog spijkerschrift gebruiken wanneer alles veel gemakkelijker in het Grieks kon worden opgeschreven? Getallen konden eenvoudiger worden voorgesteld en in plaats van kleitabletten had men de beschikking over de veel lichtere materialen papyrus en perkament. Dat dit kleitablet bestaat, lijkt dan ook op een anachronisme. Wanneer er inderdaad 297 jaren zijn verdwenen, dan zou de drievoudige conjunctie in 304 v. Chr. hebben plaatsgevonden. Een logischer datum, want negentien jaren na de dood van Alexander kan men nog teksten in spijkerschrift verwachten.

Hoewel astronomie een exacte wetenschap is, blijkt uit het voorgaande dat waarnemingen van hemelverschijnselen in de middeleeuwen en de antieke oudheid moeilijk verifieerbaar zijn. We hebben gezien dat terugrekeningen niet altijd tot het gewenste resultaat leiden. Daar we mogen aannemen dat de astronomen uit vroegere tijden ons niet doelbewust hebben willen misleiden en de hedendaagse astronomen terzake kundig zijn, moet de oorzaak elders worden gezocht. Het ligt dan ook voor de hand te veronderstellen dat het verleden minder ver van ons af is dan we denken.

Machtsstreven en hebzucht

Er zijn nog veel meer aanwijzingen die de these van Illig ondersteunen. We gaan hier niet verder op in, maar willen ons nu bezighouden met de vragen "hoe en waarom kon het gebeuren?" dat er zo'n drie eeuwen aan onze geschiedenis zijn toegevoegd. Wat waren de achtergronden en wat waren de beweegredenen?

Hoe?

Volgens het bijbelboek Genesis schiep God de hemel en de aarde. Hij deed daar zes dagen over en op de zevende dag rustte Hij van al het werk dat Hij gemaakt had. Maar hoe lang is dat nu geleden? Volgens de kerkelijke schrijver Hyppolytus (derde eeuw na Chr.) zou dat in het jaar 500 zesduizend jaren geleden zijn. Christus zou dan 5500 jaren na de schepping van de wereld zijn geboren. Hij baseerde zijn berekeningen op het gegeven dat een dag van de Heer gelijkstaat met duizend jaren en op het feit dat Adam op de zesde dag was geschapen. Een strijdpunt binnen de Kerk was echter of het einde van het zesde millennium ook het einde van de wereld zou betekenen of dat dan de aardse heerschappij van Christus vóór het aanbreken van de oordeelsdag, het zogenaamde Duizendjarig Rijk, zou beginnen. Eusebius van Caesarea (ca 263-30 mei 339), vader van de kerkgeschiedenis, nam het zekere voor het onzekere en kwam op grond van nieuwe berekeningen tot de conclusie dat het einde van de wereld driehonderd jaren later zou plaatsvinden, d.w.z. in het jaar 800. De kroning van keizer Karel in dat cruciale jaar mag dan ook echt een wonder heten. Later was men van mening dat Christus 5000 jaren na de Schepping was geboren, waarmee het begin van het einde van de wereld naar het jaar 1000 werd verlegd. Is het toeval dat keizer Otto III juist in dat jaar zich het graf van Karel de Grote herinnert en laat openen? Volgens de overlevering zou hij zijn voorvader ongeschonden hebben aangetroffen.

Inmiddels waren er dus drie tijdrekeningen in omloop, waarin het geboortejaar van Christus werd aangeduid met respectievelijk 5500, 5200 en 5000 n. Sch. Zoals bekend, is het referentiepunt van onze huidige kalender het geboortejaar van Christus. De Romeinse geleerde Furius Philocalus was de eerste die deze geboorte voor de telling van jaren als uitgangspunt nam. Hij was de latere schoonschrijver van paus Damasus I. In 354 schreef hij de belangrijkste christelijke kalender van de laatantieke oudheid. Hij kan dus gezien worden als de stamvader van onze jaartelling. Gebruikelijk was toen nog om de jaren vanaf de stichting van Rome te tellen (ab urbe condita), volgens onze kalender was dat in 754 v.Chr Als tweede gebruikte Dionysius Exiguus in 525 bij zijn Paastafels Jezus' geboortejaar als referentiepunt. Beide computisten maakten echter geen school. Het zou nog eeuwen duren eer de christelijke jaartelling algemeen ingeburgerd was. Pas vanaf het jaar 1000 begon men in het Westen volgens de Anno-Domini-methode te dateren. Rome en Constantinopel gingen echter nog gewoon op de oude voet voort. In het Byzantijnse Rijk nam men voor de datering van oorkonden het regeringsjaar van de dan heersende keizer of het aantal sinds de Schepping verlopen jaren. Nog tot in de vijftiende eeuw was in het Lateraan te Rome het regeringsjaar van de aan het bewind zijnde paus bepalend voor de datering.

Het zal duidelijk zijn dat met zoveel gelijktijdige dateringsmethoden het vrij eenvoudig was met data te knoeien. Wie zou het gemerkt hebben als er bij de invoering van een nieuwe methode er ongemerkt extra jaren ingevoegd waren? Er zijn sterke aanwijzingen dat keizer Otto III en paus Silvester II de klok hebben vooruitgezet met als doel de Eindtijd met hun aantreden te laten beginnen. Zoiets kon eenvoudig worden gerealiseerd door te stellen dat het Duizendjarig Rijk aanstaande was. Als aanvangsdatum werd het jaar 1000 n. Chr. gekozen, het begin van het zevende millennium na de Schepping met Otto als eindkeizer. Beiden waren bezield door het hoge ideaal een bond van Christelijke volken te vormen onder leiding van keizer en paus met Rome als hoofdstad. Zij stierven echter te vroeg (Otto op 21-jarige leeftijd in 1002 en Silvester na een vierjarig pausschap in 1003) om hun plannen uit te voeren. Niettemin hebben zij een proces in gang gezet dat er uiteindelijk toe heeft geleid dat wij niet beter weten dan dat er ooit een groot Karolingisch Rijk heeft bestaan met Karel de Grote als "Überkeizer".

Een besluit een nieuwe dateringsmethode in te voeren kan snel worden genomen, maar het aanvaarden van de consequenties er van is een andere zaak, zeker als daarmee verzonnen jaren zijn gemoeid. Niet alleen moesten na de millenniumwisseling data van oorkonden en andere officiële stukken worden aangepast (een aantal onderzoekers zou hier liever het woord vervalst willen gebruiken), maar het kostte veel meer moeite de fantoomtijd in te vullen. Hier is zeker een aantal eeuwen over gedaan. Vooral de keizers Frederik Barbarossa (1122-1190) en zijn kleinzoon Frederik II (1194-1250) hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. Voor de details zij verwezen naar de boeken van Illig.

Waarom?

In de elfde eeuw kwam er langzamerhand een tegenstelling tussen keizer en paus. De keizer had in kerkelijke zaken veel te zeggen. Hij had grote invloed op de pauskeuze en benoemde in zijn rijk de bisschoppen, die uitgestrekte landstreken van hem in leen kregen. Zij waren zijn trouwe steun in de strijd tegen de machtige leenmannen en daarom vergrootte de keizer hun gebied, dat bovendien geen erfelijk leen was, vaak ten koste van hertogen en graven. De pausen streefden echter naar de opperste leiding in de Christenheid, en zo kon uiteindelijk een conflict niet uitblijven. Toen paus Gregorius VII (1073-1085) zijn geestelijken verbood om een kerkelijk ambt uit de handen van een leek te aanvaarden, waardoor o.a. de belening of investituur van bisschoppen door de keizer onmogelijk werd, ontstond de investituurstrijd. Want het spreekt vanzelf dat de keizer, wiens macht vooral op steun van de bisschoppen berustte, zich hiertegen verzette. Pas in 1122 kwam aan deze strijd een einde, in welk jaar keizer en paus tot een vergelijk kwamen, het zogenaamde Concordaat van Worms. Dit bepaalde dat in Duitsland een bisschop zou worden gekozen door de voornaamste geestelijken van het bisdom (de kanunniken) in tegenwoordigheid van de keizer of diens gevolmachtigde. De keizer zou hem dan als leenman aannemen en daarna de paus hem tot bisschop wijden. Door deze regeling verloor de keizer veel van zijn invloed op de bisschoppen.

Dit langdurige conflict tussen Kerk en Keizer, tussen Welfen (aanhangers van de paus) en Ghibelijnen (aanhangers van de keizer), tussen de centralistische Roomse geestelijkheid en de centrifugale anti-Roomse krachten vereiste steeds nieuwe argumenten. Wat was er eenvoudi- ger dan terug te grijpen op besluiten uit een ver verleden? Het was natuurlijk vervelend als daarvan de originele schriftelijke stukken ontbraken, maar een vervalsing was zo gemaakt. Bekend zijn bijvoorbeeld de schenkingsakten van keizer Karel en zijn vader Pippijn. Hiermee verkreeg de paus grote gebieden in Italië. Reeds eerder had keizer Constantijn de Grote een dergelijke schenking gedaan aan paus Silvester I en diens wettige opvolgers op de Stoel van Petrus. Deze gebieden vormden de basis van de Kerkelijke Staat waarover de paus als bisschop van Rome de wereldlijke macht uitoefende. Vóór 1860 besloeg dit 41.407 km², ongeveer even groot als Zwitserland. Op 8 oktober 1870 hield de Kerkelijke Staat op te bestaan, 21 december deed de Italiaanse koning, Victor Emanuel II, zijn intocht in Rome. Paus Pius IX sprak over hem de ban uit, verbood de Katholieken alle samenwerking met de "roverkoning" en weigerde de schadevergoeding door Italië aangeboden te aanvaarden. De paus was voortaan de gevangene in het Vaticaan, totdat Pius XI op 11 februari 1929 met Italië het Lateraanse verdrag sloot, waarbij hem de soevereiniteit over het Vaticaan werd gegund. De oorsprong van de Kerkelijke Staat is echter niet geheel duidelijk, want reeds in de 15e eeuw bleek Constantijn's schenkingsakte een vervalsing te zijn, en ook van de andere twee schenkingsakten is aangetoond dat het vervalsingen zijn. Vermoedelijk moeten we de oorsprong aan het einde van de dertiende eeuw zoeken toen Rudolf van Habsburg land aan de paus schonk.

Niet alleen pausen verwezen naar niet-bestaande schenkingsakten, maar ook andere kerkelijke instellingen deden dit. Zo ontleenden honderden abdijen en diocesen rechten aan zogenaamde toezeggingen van koningen en keizers uit een ver verleden. In de twaalfde eeuw werden in verscheidene kerkelijke instituten, vooral in de Rijksabdijen, oorkonden vervaardigd om de rechten van families en ministerialen vast te stellen. Opvallend vaak werd hierbij verwezen naar de Karolingische tijd.

Wanneer we de eerste drie eeuwen van het tweede millennium in het kort zouden willen typeren, dan kunnen we dit wellicht het beste doen met de woorden machtsstreven en hebzucht, waarbij geloof en godsdienst een grote rol hebben gespeeld. Hoewel deze twee drijfveren van alle tijden zijn, is het bijzondere van deze periode dat zowel de Kerk als de Wereldlijke Macht, hierbij op basis van door hen vervalste documenten teruggrepen naar een belangrijke historische figuur, waarvan sinds een jaar of tien het ernstige vermoeden bestaat dat hij nooit heeft geleefd.

Slotopmerkingen

De chronologie zoals wij die kennen, berust grotendeels op werken van J. Scaliger (1540-1609), de grondlegger van de moderne tijdrekenkunde, en D. Petavius (1583-1652). De Fransman Scaliger was een van de grootste geleerden van het Renaissance-tijdvak. In 1592 ontving hij een officiële uitnodiging uit Leiden om een post aan de toen nog geen twintig jaar oude universiteit aldaar te aanvaarden. Het jaar daarop kwam hij in Leiden aan en is daar tot zijn dood gebleven. Het toekennen van jaartallen aan historische gebeurtenissen in de oudheid en de middeleeuwen is geen eenvoudige zaak. Hoe langer iets is geleden, des te meer van het interpretatievermogen van de onderzoeker wordt gevraagd. Aan de hand van oude documenten en archeologische vondsten moet hij de juiste conclusie trekken. Dat hierbij fouten worden gemaakt, is heel begrijpelijk. Maar wat is fout? Vaak komt men op grond van nieuwe vondsten en nieuwe theorieën tot nieuwe inzichten en moet de chronologie worden bijgesteld. Hoeveel moeite kost het bijvoorbeeld niet om de oude Egyptische geschiedenis en het ontstaan van de piramides in een juist tijdskader te plaatsen? Zelfs over de tijd waarin Jezus heeft geleefd, zijn de meningen verdeeld. Het wordt nog moeilijker als de geschiedenis is vastgesteld aan de hand van documenten die naderhand vervalst blijken te zijn. Hoe zet je iets recht waarvan we altijd hebben aangenomen dat het correct was? Juist dit probleem schijnt zich nu voor te doen met betrekking tot de donkere middeleeuwen. Hierboven is aannemelijk gemaakt dat deze periode vermoedelijk nimmer heeft bestaan. Veel nader onderzoek zal echter nog nodig zijn, maar mocht blijken dat Illig en vele anderen gelijk hebben, dan vallen 297 jaren weg uit onze geschiedenis. Blijven we onze huidige jaartelling aanhouden, dan moeten we ons realiseren dat op het jaar 614 direct het jaar 911 volgt, maar we kunnen er natuurlijk ook voor kiezen om nu in het jaar 1703 te leven.

In dit artikel kon slechts een deel van de talrijke aanwijzingen voor een nieuwe chronologie worden opgenomen. Over deze kwestie zijn natuurlijk veel meer feiten en wetenswaardigheden te melden. Zo besteden Illig en Topper in hun boeken bijvoorbeeld ook aandacht aan de donkere middeleeuwen in andere landen van Europa, zoals Frankrijk en Spanje, en gaan ze in op methoden voor ouderdomsbepaling. Voor al deze zaken wordt de geïnteresseerde lezer die meer over het onderwerp wil weten, verwezen naar de boeken van deze beide auteurs.

Tenslotte dan nog de vraag waarmee het artikel is begonnen: "Heeft Karel de Grote ooit geleefd?". Tot voor kort durfde je deze vraag nauwelijks te stellen, want aan zijn bestaan werd gewoon niet getwijfeld. Sinds het onderzoek van Illig is deze zekerheid nu wel behoorlijk aangetast. Een bevredigend antwoord is pas te geven wanneer de these is bewezen of wordt weerlegd. Dit laatste is tot nu toe niemand gelukt. Het vinden van een exact bewijs is haast onmogelijk, tenzij Karels graf opnieuw wordt ontdekt. In dat geval kan zijn DNA worden vergeleken met dat van zijn vele nazaten. Toch vreemd eigenlijk dat van zo'n belangrijke keizer niets meer over is, terwijl van vele heiligen namelijk nog wel een restant als relikwie in een kerk bewaard is gebleven. Op grond van het genoemde onderzoek moeten we er dan ook ernstig rekening mee houden dat Karel een verzonnen figuur is. Deze conclusie zal voor menig genealoog ongetwijfeld een grote teleurstelling zijn, maar er staat tegenover dat de zoektocht naar familie in een ver verleden met drie eeuwen kan worden bekort. En wilt u hem toch in uw kwartierstaat houden, zet u er dan maar voorlopig een sterretje bij.

Na het schrijven van dit artikel kreeg ik de resultaten van de groep Fomenko in Moskou onder ogen. Op basis van statistisch onderzoek van historische documenten komt hij eveneens tot de conclusie dat onze tijdrekening niet klopt. Zo heeft hij o.a. aangetoond dat vele astronomische "waarnemingen" in de oudheid niet kloppen en pas vele eeuwen later hebben plaatsgevonden. De hieraan gekoppelde historische gebeurtenissen zouden dan ook vele eeuwen later in de tijd geplaatst moeten worden. Bovendien zijn vele dynastieen reflecties van dynastieen van een latere periode. Kortom, van onze geschiedenis tot de late middeleeuwen klopt vrijwel niets en is grotendeels verzonnen. In het artikel "Klopt onze geschiedenis eigenlijk wel en wat betekent dit voor de genealogie?" (nog in voorbereiding) ga ik in op het werk van Fomenko.

Bronnen

Literatuur
Blöss, Christian (1995): Sonnenfinsternisbeobachtungen in Mitteleuropa von 600 bis 900; ZS 3/1995.
Delambre (1817): Histoire de l'Astronomie Ancienne (2 delen); Parijs.
Duncan, David E. (1998): De kalender; Uitgeverij BZZTôH, `s-Gravenhage.
Fälschungen (1988): d.i. Fälschungen im Mittelalter, Internationaler Kongreß der Monumenta Germaiae Historica; München 16-19 September; 5 delen; Hannover.
Fomenko, Anatolij T. (1994): Empirico-Statistical Analysis of narrative Material and its Applications to Historical Dating (2 delen);Dordrecht.
Ginzel, F.K. (1906-1914): Handbuch der mathematischen und technischen Chronologie (3 delen); Leipzig.
Gregorovius, Ferdinand (1978): Geschichte der Stadt Rom im Mittelalter vom V. bis zum XVI. Jahrhundert; München; Band 1 und 2 (= 7. bis 12 Buch; eerste uitgave 1859-1872).
Illig, Heribert (1998): Das erfundene Mittelalter; Econ & List Taschenbuch Verlag, München.
- (1999): Wer hat an der Uhr gedreht?; Econ & List Taschenbuch Verlag, München.
Lüling, Günther (1981): Die Wiederentdeckung des Propheten Muhammed. Eine Kritik am "christlichen" Abendland; Erlangen.
Morosow, Nikolaus (1912): Die Offenbarung Johannis. Eine astronomisch-histrorische Untersuchung; Stuttgart (russ. 1907).
Newton, Robert R. (1972): Medieval Chronicles and the Rotation of the Earth; Baltimore.
- (1976): Ancient Planetary Observations and the Validity of Ephemeris Time; Baltimore.
- (1977): The Crime of Claudius Ptolemaeus; Baltimore.
Rijpma, E. (1948): De ontwikkelingsgang der historie, deel I (oudheid en middeleeuwen); Wolters, Groningen.
Thiering, Barbara (1995): Jesus of the Apocalypse. The Life of Jesus after the Crucifixion; Doubleday, Sydney.
Topper, Uwe (1999): Erfundene Geschichte; Herbig, München.

Websites
adres 1: http://www.berliner-geschichtssalon.de
adres 2: http://univ2.omsk.su/foreign/fom/fom.htm