GENEALOGIEBEOEFENING IN HET KADER

VAN ONZE KIJK OP DE GESCHIEDENIS


Henk Feikema

[Onderstaande tekst is een bijgewerkte versie van de lezing die tijdens de Nationale Genealogische Dag op 27 september 2003 te Delft is gehouden]

SAMENVATTING


Steeds vaker komen wetenschappers en andere onderzoekers tot de conclusie dat er met onze geschiedenis iets mis is, dat de tijdrekening niet klopt en dat onze geschiedenisboeken eigenlijk zouden moeten worden herschreven. Want in het verleden werden documenten op grote schaal vervalst, werd de chronologie kunstmatig verlengd en werden verhalen over gebeurtenissen in andere landen voor de eigen geschiedschrijving gebruikt. Hierdoor is er een vertekend beeld van de geschiedenis ontstaan. Deze ontdekkingen hebben grote gevolgen voor het genealogisch onderzoek in de middeleeuwen. Zo is bijvoorbeeld aangetoond dat de Karolingische dynastie (7e tot 9e eeuw) een reflectie is van een dynastie van het Byzantijnse Rijk van de 4e tot 6e eeuw. Voor andere dynastieën zijn soortgelijke reflecties gevonden.

Hierna wordt een overzicht gegeven van de onderzoekingen die tot de twijfels over de juistheid van de Europese geschiedenis hebben geleid. Verder zal aandacht worden besteed aan de consequenties voor ons familieonderzoek.

LEZING

Anekdotes
“Laat ik beginnen met de volgende opmerking. Ik heb de literatuur die ik heb bestudeerd, aan de meest eenvoudige analytische criteria onderworpen, maar de resultaten zijn, ik geef het openlijk toe, voor mij verbazingwekkend. Niet alleen voor mijzelf, maar ook voor de wetenschappelijke wereld. Het zou mij niet verbazen wanneer haastige denkers mij van waanzinnigheid zouden beschuldigen, maar ik vertrouw erop dat rustige en bedachtzame lezers hetgeen ik heb geschreven als een geloofwaardige, doch altijd voor verbetering vatbare, uiteenzetting van literaire feiten zullen accepteren.”

Dit schreef professor Edwin Johnson in het voorwoord van zijn boek over de Brieven van Paulus dat in 1894, dus meer dan honderd jaar geleden, in Londen verscheen.

* * *

“In antwoord op uw schrijven van 3 november jl. deel ik u mede dat alleen de gewone leden van de Academie het recht hebben hun werken tijdens de zittingen te presenteren. Het door u ingezonden artikel [….] kan daarom niet in aanmerking worden genomen. Overigens, de Academie gaat in beginsel niet in op inzendingen van privé-personen.”

Dit was de reactie op een brief van de historische onderzoeker Wilhelm Kammeier aan de Preuszische Akademie der Wissenschaften in 1926.

* * *

En wat was de response op een artikel dat ik vorig jaar de redactie van een genealogisch/historisch tijdschrift aanbood?

U begrijpt het al. Ik hoorde helemaal niets. De redactie nam niet eens de moeite mij te antwoorden. Niet netjes, maar wel een bekende reactie wanneer het om controversiële onderwerpen gaat.

Inleiding
Dit waren drie anekdotes over een onderwerp dat nauw verwant is aan wat ik vanmiddag aan de orde wil stellen, namelijk:


GENEALOGIEBEOEFENING IN HET KADER VAN ONZE KIJK OP DE GESCHIEDENIS


De lezing gaat over genealogie en over het beeld dat wij in ons leven van de geschiedenis hebben gevormd. Laat ik met het eerste beginnen.

Genealogiebeoefening
Het is gebruikelijk dat we bij ons familieonderzoek onszelf als uitgangspunt nemen. Het is minder gebruikelijk om bij de oudste gemeenschappelijke voorvader aan te vangen. Doch ik stel voor dit bij wijze van uitzondering vanmiddag toch maar eens te doen.


WIE IS ONZE OUDSTE GEMEENSCHAPPELIJKE VOORVADER?


Op 26 oktober om negen uur ’s ochtends in het jaar 4004 v. Chr. verscheen de eerste mens op aarde, Adam. U gelooft het misschien niet, maar deze gebeurtenis is door geleerden wetenschappelijk vastgesteld, in de 17e eeuw. Bovendien decreteerde het Vaticaans Concilie in 1656 dat een ieder die dit jaar niet als ontstaansdatum van de aarde accepteerde, een ketter was. Wie zijn wij dan om dit feit in twijfel te trekken. De wetenschap heeft echter niet stilgestaan en is er achter gekomen dat het scheppingsverhaal niet serieus genomen hoeft te worden. In 1952 herriep Paus Pius XII dan ook het decreet. Hij erkende dat we de ontdekkingen van de wetenschap niet konden negeren en dat de aarde vele miljarden jaren oud moet zijn. Ondanks deze nieuwe zienswijze van Rome zijn er tegenwoordig toch nog talloze mensen die de bijbel als een zeer betrouwbaar historisch document zien. Voor hen is het antwoord op de vraag “wie is onze oudste voorvader?” heel duidelijk. Zij stammen af van Adam!

Maar hoe zit het met alle anderen die de hedendaagse ontdekkingen van de wetenschap wel onderschrijven? Stammen zij ook van deze eerste mens af? Volgens een artikel over Karel de Grote in Ons Erfgoed van een jaar geleden (sept.-oct. 2002) zijn er velen die claimen van deze keizer af te stammen. Dit betekent echter dat zij via de bijbelse koning David uiteindelijk ook bij Adam terechtkomen, getuige de diverse publicaties over dit onderwerp in het laatste decennium. Toch hoor je deze uitverkoren genealogen zelden over deze bijzondere voorouder. Ze zeggen wel: “Ik stam van Karel de Grote af”, maar ze vragen nooit: “Stam jij ook van Adam af?”. Hoe zou dit komen? Naar een antwoord kunnen we slechts gissen, maar ik vermoed dat ze het gewoon niet geloven. Zoiets kan niet waar zijn. En om eerlijk te zijn, ik ben het men hen eens. Maar waar ligt de grens? Zouden we bijvoorbeeld wel koning David als voorouder accepteren? Zo ja, dan moeten we Jezus Christus ook in onze kwartierstaat opnemen. Ik denk dat velen dit godslasterlijk en te zot voor woorden vinden. Misschien dat we Clovis, de stamvader van het Merovingische Huis in de vijfde eeuw, nog wel als een ver familielid willen aanvaarden. Kortom, waar ligt de grens en wat vinden wij nog geloofwaardig? Het antwoord op deze vraag staat of valt natuurlijk met de betrouwbaarheid van de bronnen waarop we ons genealogisch onderzoek baseren. Het zal duidelijk zijn dat degenen die pretenderen van Karel de Grote af te stammen, de bronnen vertrouwen die tot dit resultaat hebben geleid. Alles wat voor zijn tijd is geschreven, wordt vaak met argwaan bekeken. Dat men zo’n grenzeloos vertrouwen heeft in het waarheidsgehalte van deze bronnen komt waarschijnlijk doordat er zoveel over deze eerste vader van Europa is gepubliceerd. Het moet wel waar zijn, want zoveel mensen kunnen het toch niet mis hebben?

De Engelse wiskundige en filosoof Bertrand Russell (1872-1970) heeft eens opgemerkt dat voorzichtigheid is geboden wanneer alle deskundigen het met elkaar eens zijn. Zou dit ook gelden voor de Karel de Grote experts? Een antwoord op deze gedurfde vraag vinden we misschien door eens te kijken naar de wijze waarop wij ons een beeld van de geschiedenis hebben gevormd.

Onze kijk op de geschiedenis

Historisch model
Fig. 1 Historisch model


Voor het opzetten van een goede chronologie moet men data in oude documenten naar de terminologie en eenheden van de moderne tijdrekening omzetten. Veel historische conclusies en interpretaties hangen af van data die worden toegekend aan gebeurtenissen die in oude documenten worden beschreven. Dit probleem is zeer gecompliceerd, want er werden in het verleden verschillende dateringsystemen gebruikt. De Christelijke jaartelling die we tegenwoordig gebruiken, werd pas in de 11e eeuw ingevoerd. Daarvoor relateerde men gebeurtenissen meestal aan regeringsjaren van koningen of andere heersers. Ook werd wel het stichtingsjaar van Rome of het scheppingsjaar van de aarde als uitgangspunt genomen. Maar over deze twee tijdstippen verschilde men in het verleden nogal van mening. Ten tijde van paus Gregorius XIII, die in 1582 de huidige (Gregoriaanse) kalender heeft ingevoerd, waren er meer dan 800 verschillende berekeningen over de ouderdom van de wereld bekend. De uitkomsten liepen soms enkele duizenden jaren uiteen. Het is dan ook zeer begrijpelijk dat er bij het samenstellen van de chronologie fouten zijn gemaakt. En als daarbij dan ook nog vervalste documenten worden betrokken, is de chaos compleet. We hebben ons dit nooit zo gerealiseerd. Alleen al de gedachte dat de geschiedenis niet klopt, schijnt absurd te zijn. Want het weerspreekt de geaccepteerde traditie en de culturele kennis die we sinds onze kindertijd hebben geassimileerd. Toch zullen we er aan moeten wennen dat ons beeld van de geschiedenis wordt bijgesteld. Steeds vaker horen we kritische geluiden. Zo lopen bijvoorbeeld archeologen en astronomen tegen vondsten en problemen aan die ze niet in het algemeen geaccepteerde tijdskader kunnen plaatsen. Ook in het verleden was er kritiek, maar deze werd gewoonweg genegeerd. De invloed en controle van de kerk was te groot om hiernaar te luisteren.

De vader van de chronologie

Joseph Scaliger
Fig. 2 Portret van Joseph Scaliger


Wat wij van de oudheid en de middeleeuwen weten is grotendeels het werk van de Franse geleerde Joseph Scaliger (1540 - 1609), die in 1593 aan de toen nog zeer jonge universiteit in Leiden werd benoemd (een van zijn leerlingen was Hugo de Groot). In de loop der eeuwen was er al een overzicht van jaartallen met de bijbehorende geschiedkundige gebeurtenissen ontstaan. Dit was een chronologie van de Kerk waaraan verschillende geestelijken een bijdrage hadden geleverd, onder wie volgens de overlevering Clemens van Alexandrië (ca 150 - ca 210), Eusebius van Caesarea (ca 263 - 339), Hieronymus (ca 347 - 419) en Augustinus (354 - 430). Het bijzondere van Scaliger was dat hij hieraan een wetenschappelijk tintje had gegeven door er de astronomie bij te betrekken. Hij bevestigde daarmee de chronologie van de Kerk van de voorgaande eeuwen. Ondanks het feit dat hij niet kritisch te werk was gegaan, geloofden historici van zijn tijd dat hij de chronologie van de Kerk in een “wetenschappelijke chronologie” had omgezet. Naderhand heeft de Franse theoloog en historicus Dionisius Petavius (1583 - 1652) nog enkele verbeteringen aangebracht. Mede door het gezag van de Kerk twijfelden latere historici niet aan de juistheid van hun onderzoek. In de eeuwen daarna werden hooguit nog enkele kleine correcties uitgevoerd. Uiteindelijk kreeg in de vorige eeuw de geschiedenis zijn definitieve vorm, een vorm waarop ons geschiedenisonderwijs is gebaseerd.

Enkele critici
Al vrij snel na de publicatie van Scaliger publiceerde de Spaanse hoogleraar de Arcilla van de universiteit van Salamanca twee artikelen waarin hij beweerde dat de gehele geschiedenis vóór de vierde eeuw in de middeleeuwen was vervalst.

Isaac Newton
Fig. 3 Portret van Newton


De bekende Engelse wis-, natuur- en sterrenkundige Isaac Newton (1642 - 1727) heeft zich eveneens met het probleem van de tijdrekening beziggehouden. Hij was vooral geïnteresseerd in de ouderdom van de aarde. Hoeveel jaren was het geleden dat God de wereld en de mensen had geschapen? Want, wanneer dat bekend was, kon daaruit het einde van de wereld worden afgeleid. Evenals de Ierse aartsbisschop James Ussher (1581 - 1656) kwam hij tot de conclusie dat het jaar 4004 v. Chr. het scheppingsjaar was. Volgens Ussher zou Adam op 21 september zijn verschenen. Newton leidde verder uit het Oude Testament af dat de geschiedenis van de Grieken minder lang is geleden dan werd aangenomen. Hetzelfde vond hij voor de Egyptische geschiedenis. Voor de Grieken is het verschil 300 jaren. De geschiedenis van het Oude Egypte is zelfs 1000 tot 1800 jaren jonger.
De Franse jezuïet Jean Hardouin (1646 - 1729), godgeleerde met een grote kennis van de oude talen, de geschiedenis en de penningkunde, hield zich ook met de ouderdom van de wereld bezig. Maar bij hem lag het accent meer op het onderzoek van de echtheid van de literatuur die voor de ouderdomsbepaling werd gebruikt, dan op de bepaling zelf. Hij kwam tot de conclusie dat vrijwel de gehele klassieke literatuur door monniken in de middeleeuwen was geschreven. Tot dezelfde conclusie kwamen op grond van taalkundig onderzoek de Engelse hoogleraar Edwin Johnson (1842 - 1901) en professor Robert Baldauf, die aan het begin van de 20e eeuw aan de universiteit van Basel was verbonden.
Ongeveer in dezelfde tijd onderzoekt de Russische geleerde Nikolaj A. Morozov (1854 - 1946) de chronologie van Scaliger. Het begint eentonig te worden, maar ook hij kwam tot de conclusie dat de traditionele chronologie met vele eeuwen kunstmatig is verlengd. Verder had hij sterke vermoedens dat de geschiedenis van de oudheid was vervalst. De resultaten van zijn onderzoek drongen echter nauwelijks tot het Westen door.
Het duurde geruime tijd voordat in West-Europa weer aandacht aan het chronologieprobleem werd besteed. Hoewel de juridisch geschoolde onderwijzer Wilhelm Kammeier (overleden in 1959) in 1935 nog een boek over dit onderwerp had gepubliceerd, kwam de echte opleving pas in de jaren tachtig van de 20e eeuw in Duitsland. Een van de belangrijkste exponenten van de moderne critici is de kunsthistoricus Heribert Illig. In 1998 publiceerde hij een boek dat een schok in de wetenschappelijke wereld veroorzaakte. Hij komt met zoveel bewijzen dat de middeleeuwse geschiedenis niet klopt, dat deze eigenlijk herschreven zou moeten worden. Of dit snel zal gebeuren is nog maar de vraag, want een groot aantal mediëvisten bestrijdt zijn these dat de middeleeuwen met 297 jaren kunnen worden bekort; de gehele periode tussen 614 en 911 zou nooit hebben bestaan. Het zal je als wetenschapper ook maar gebeuren dat je na jaren van onderzoek aan de hand van alleen maar oorkonden en documenten - al dan niet vervalst - moet toegeven dat al je werk zeer waarschijnlijk voor niets is geweest. Want een van de verwijten die Illig de gevestigde wetenschap maakt, is dat alleen maar is gekeken naar wat in de loop der tijden is opgeschreven. Andere disciplines zijn door historici stelselmatig buiten beschouwing gelaten. Bijvoorbeeld de uitkomsten van opgravingen en de bevindingen van bouwarcheologen zijn gewoon genegeerd. In 1999 komt Illig met nog meer bewijzen en vorig jaar verscheen zijn derde boek Beieren en de fantoomtijd. Hierin toont hij met behulp van de archeologie aan dat vroegmiddeleeuwse oorkonden met betrekking tot dat deel van Duitsland vervalsingen zijn. Inmiddels is de discussie - tijdens lezingen, in artikelen en zelfs voor de televisie - over zijn beweringen in Duitsland losgebarsten. Voorlopig is het laatste woord hierover nog niet gezegd en geschreven.

Behalve Illig zijn er bij onze oosterburen meer personen op dit terrein actief, zoals Uwe Topper en Eugen Gabowitsch. Eerstgenoemde is een van de oprichters van de Berliner Geschichtssalon, een ontmoetingscentrum voor chronologieonderzoekers. Een soortgelijk centrum is een paar jaar geleden in Karlsruhe door Gabowitsch opgericht.
En van Oost-Europa wil ik nog de Bulgaarse wiskundehoogleraar J. Talbov van de universiteit in Sofia en de Hongaarse geleerde B. Lukács noemen.

Tussenbalans
Wanneer we nu een tussenbalans opmaken, kunnen we stellen dat alle genoemde critici van mening zijn dat de traditionele chronologie kunstmatig met enkele eeuwen is verlengd. Het vermoeden bestaat dat dit in de middeleeuwen is gebeurd, waarbij de kerk een cruciale rol heeft gespeeld. Over de exacte duur zijn de meningen echter verdeeld.
Zij concludeerden ook dat diverse documenten die aan de antieke oudheid worden toegekend, in de late middeleeuwen en tijdens de Renaissance zijn geschreven, zogenaamd door personen die vele eeuwen eerder hebben of zouden hebben geleefd.
Maar op de vraag hoe het verleden dan wel precies was, hebben zij geen antwoord gegeven.

Russisch onderzoek
Een totaal andere aanpak van het chronologieprobleem vond in Rusland plaats. De hoogleraar in de zuivere wiskunde aan de universiteit van Moskou, prof. Anatolij T. Fomenko, gebruikte bij zijn onderzoek mathematische methoden. Deze paste hij toe op de teksten waarop historici hun dateringen baseren. Hoewel hij zijn resultaten al in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw in het Russisch had gepubliceerd, werd zijn onderzoek pas in 1994 in het Westen echt toegankelijk toen zijn werk door Kluwer in Dordrecht in het Engels werd uitgegeven. De resultaten zijn werkelijk verbluffend en moeten een schok in de wetenschappelijke wereld hebben veroorzaakt.

Hoe werd in ons land gereageerd? Ik kan het u niet vertellen, maar te oordelen naar een vorig jaar verschenen boek over de middeleeuwen hebben de auteurs, de hoogleraren Blockmans en Hoppenbrouwers, in ieder geval geen rekening met dit Russische onderzoek gehouden. Naar de redenen kan slechts worden gegist.
Het kan zijn dat het boek aan hun aandacht is ontsnapt, omdat het als een wiskundeboek is opgevat, een vergissing die wel enigszins voor de hand ligt. En wiskunde is nu eenmaal niet een vak dat veel raakpunten met geschiedenis heeft. Toch zou dit in de toekomst wel eens kunnen gaan veranderen, want een groot aantal van de huidige chronologiecritici zijn academici met een bèta-achtergrond.
Het kan ook zijn dat ze het boek gewoon hebben genegeerd. Dat is niet ondenkbaar, want meestal is dit de houding van gevestigde wetenschappers wanneer zij zich van buitenaf bedreigd voelen. Door doodzwijgen van de onheilstijding gaat de bui vanzelf weer over, denken ze.

Hoe dan ook, de resultaten van de groep van Fomenko zijn bijzonder interessant en een nadere toelichting waard. Voor een deel bouwen zij voort op het onderzoek van de eerder genoemde Morozov.

Nikolaj A. Morozov, zoon uit het huwelijk van een edelman met een dochter van een lijfeigene, is de grondlegger van de Russische kritiek op de traditionele chronologie. Hij had al op jonge leeftijd belangstelling voor de natuurwetenschappen. In 1874 werd hij van het gymnasium gestuurd vanwege zijn politieke activiteiten. Het was hem verboden nog verder onderwijs te volgen. Vanaf dat jaar was hij lid van verschillende revolutionaire groeperingen. Het gevolg was dat hij diverse keren in de gevangenis belandde. In totaal heeft hij 29 jaren gevangen gezeten. Als autodidact bekwaamde hij zich in elf talen en in de vakken: chemie, natuurkunde, astronomie, wiskunde en geschiedenis. In 1918, dus vlak na de Russische revolutie, wordt hij hoofd van een groot onderzoekcentrum voor natuurwetenschappen in St. Petersburg. Hij is dan al 64 jaar! In 1946 overleed hij op 92 jarige leeftijd.

In 1920 publiceerde hij in een boekwerk van zeven delen een vernietigende kritiek op de traditionele chronologie. Bij zijn analyse gebruikte hij de laatste ontdekkingen in de wiskunde, astronomie, taalwetenschap, filologie en geologie. Zijn conclusie was dat de geschiedenis van de oudheid meer dan duizend jaar jonger is.
Zijn boeken werden in de twintiger en dertiger jaren uitgebreid in de Sovjet Unie besproken. Ondanks de vele tegenwerpingen was niemand in staat zijn theorie te weerleggen. Daarna bleef het stil rondom zijn persoon.Waarschijnlijk was hij ook een slachtoffer van het Stalinregime. Pas in de jaren zeventig kreeg zijn werk opnieuw de volle aandacht, vooral door toedoen van de beroemde wiskundige prof. Michail M. Postnikov. Een poging om de theorie uit te leggen aan historici van het Historisch Instituut van de Russische Academie van Wetenschappen mislukte. De discussie ontaardde al snel in een totale ontkenning van Morozov’s theorie zonder dat de heren in staat waren overtuigende tegenargumenten aan te voeren. Meer succes had Postnikov bij de wiskundefaculteit van de universiteit in Moskou, waar hij een aantal lezingen over het onderwerp hield. Het gevolg was dat een groep jonge mathematici onder leiding van Fomenko de tijdrekeningproblemen opnieuw begon te analyseren. Behalve van statistische methoden, maakten zij daarbij ook gebruik van de astronomie.

Astronomische verschijnselen
In de beschrijvingen van historische gebeurtenissen wordt vaak melding gemaakt van zons- en maansverduisteringen. Een voorbeeld hiervan is de Grote Peloponnesische oorlog in de vijfde eeuw v. Chr.
Thucydides, die wordt gezien als de grootste historicus van de oudheid en deze strijd tussen Athene en Sparta zelf zou hebben meegemaakt, meldt dat er zich gedurende deze oorlog drie eclipsen voordeden. Het waren twee zonsverduisteringen en een maansverduistering in 430, 423 en 412 v. Chr. met een tussentijd van respectievelijk 7 en 11 jaren. Twee eclipsen vonden in de zomer plaats en de derde in het voorjaar. Tal van wetenschappers hebben dit verschijnsel nagerekend, maar geen enkele berekening klopte met de waarnemingen. Daar aan de observaties niet werd getwijfeld, was een oplossing buiten deze tijdsperiode ondenkbaar. Het bleef een onopgelost probleem totdat men in Rusland ging twijfelen aan de betrouwbaarheid van de historische overlevering. Een dergelijke triade kon ook later zijn geweest. Ze gingen deze mogelijkheid na voor de periode tussen 900 v. Chr. en 1700 n. Chr.
Ze vonden twee oplossingen:


22 augustus 1039, 9 april 1046 en 15 september 1057, en


2 augustus 1133, 20 maart 1140 en 28 augustus 1151.

Wat betekent dit?
Als eerste reactie ligt het voor de hand te veronderstellen dat de Atheners en de Spartanen in de elfde of twaalfde eeuw na Chr. ruzie met elkaar hadden in plaats van in de vijfde eeuw voor Chr.
Ook andere oplossingen zijn denkbaar, bijvoorbeeld dat de oorlog in de middeleeuwen is verzonnen. Maar waarom zou men zoiets doen?

Dit voorbeeld is geen uitzondering. Er zijn tal van dit soort problemen. Heel vaak blijken astronomische verschijnselen niet in de tijd geplaatst te kunnen worden waarop de documenten betrekking hebben en moeten zij veel later worden gedateerd.

Reflecties
Na dit astronomische intermezzo zult u ongetwijfeld nieuwsgierig zijn naar de resultaten van Fomenko. Wel, het visuele antwoord ziet u in fig. 4.

Globaal Chronologisch Diagram
Fig. 4 Globaal Chronologisch Diagram

Dit is het zogenaamde Globaal Chronologisch Diagram.

Of in woorden:

De geschiedenis herhaalt zich, l’histoire se répète!

Dit is echter geen herhaling naar de toekomst toe, maar een herhaling richting verleden.

Het diagram is een schematische voorstelling van de Europese geschiedenis zoals die in tal van publicaties naar voren komt.
Blok S02 geeft het tijdvak van het midden van de 10e eeuw tot het midden van de 16e eeuw aan. Hiervan is relatief veel bekend. Van de tijd daarna ook, maar deze periode was voor het onderzoek niet relevant.
Blok S01 is gerelateerd aan wat er tussen ca 300 en 950 is gebeurd. Over dit tijdvak is minder bekend.
Blok S1 is de optelsom van de blokken S01 en S02.
Vroegere perioden zijn aangeduid met de blokken S2, S3 en S4. Deze blokken ontstaan door blok S1 naar links te verschuiven over respectievelijk 333, 1053 en 1778 jaren.
Het bovenste blok F is de optelsom van de blokken S1 t/m S4 en omvat de geschiedenis die op school wordt onderwezen.

De gebeurtenissen die door de blokken S2 t/m S4 worden gerepresenteerd, zijn reflecties van gebeurtenissen die in de periode van ca 950 tot ca 1550 hebben plaatsgevonden. Je zou kunnen zeggen dat historici in het verleden een soort zoek- en vervangprocedure op dit tijdvak hebben toegepast om een geschiedenis over de oudheid te kunnen schrijven. Dit laat zich bijvoorbeeld illustreren aan de hand van het volgende schema (fig. 5).

Byzantijns - Karolingische Concordantie
Fig. 5 Byzantijns - Karolingische Concordantie


Het schema toont de overeenkomst tussen de dynastieën van het Karolingische Rijk (7e tot 9e eeuw) en het Derde Romeinse Rijk (4e tot 6e eeuw). Zo is bijvoorbeeld de regeringsduur van keizer Karel de Grote vrijwel even lang als die van Theodosius II. Hetzelfde geldt voor de overige heersers van beide rijken.
Wat niet in het schema kon worden aangegeven, zijn de gebeurtenissen die in beide rijken hebben plaatsgevonden. Ook deze zijn vrijwel identiek, alleen de namen van personen, plaatsen en geografische locaties verschillen.

Soortgelijke analogieën zijn voor tenminste nog een tiental andere dynastieën aangetoond. Het schema in fig. 6 geeft hiervan een voorbeeld.

Parallellen
Fig. 6 Parallellen


Hierop kunt u zien dat er parallellen zijn tussen het Heilige Romeinse Rijk (10e tot 13e eeuw) en andere rijken, zoals het Romeinse Rijk en het Rijk van de Habsburgers.
Ook interessant is de relatie met de bijbelse koninkrijken Israël en Judea (10e tot 7e eeuw v. Chr.). Deze twee rijken ontstonden destijds uit één rijk dat zich uitstrekte van de Eufraat tot aan de Nijl en in de tiende eeuw v. Chr. David en Salomo als koningen had.

Egypte
In dit verband wil ik u de resultaten niet onthouden van een onderzoek uit een geheel ander deel van de wereld, Egypte, de bakermat van onze beschaving.

De Egyptische wetenschapper Ahmed Osman heeft een aantal jaren geleden vastgesteld dat het bijbelverhaal van de veroveringen van koning David tot in detail overeenkomt met de verhalen over de veldslagen van de Egyptische farao Thoetmoses III van de 18e dynastie in de 15e eeuw v. Chr.
David werd opgevolgd door zijn zoon Salomo. Salomo was niet alleen erg rijk, maar ook bijzonder wijs. Volgens het bijbelboek 1 Koningen 10:23 overtrof hij alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid. Het bekendste verhaal over zijn wijsheid is het geschil tussen twee vrouwen over wie de echte moeder van een bepaald kind was. Ook gebeurtenissen in zijn regeringsperiode blijken overeen te stemmen met die tijdens de regering van farao Amonhotep III, achterkleinzoon van de eerdergenoemde Thoetmoses III.

Betekent dit nu dat de oudtestamentische verhalen over David en Salomo verzonnen zijn? Volgens Osman wel. Hij weet aannemelijk te maken dat de profetisch, oudtestamentische boeken met hun verslagen van de verrichtingen van Abraham, Izaak en Jozef en de belangrijkste oudtestamentische personages in hoofdzaak van Egyptische origine zijn. Hij gaat nog verder: ook de basisstellingen van het christelijke geloof – de ene God, de drie-eenheid, de hiërarchie van de hemel, het leven na de dood en de maagdelijke geboorte – zijn van Egyptische oorsprong.
Ik weet niet of hij gelijk heeft, maar het is niet ondenkbaar dat de samenstellers van het Oude Testament (soms?) op dezelfde wijze te werk gingen als degenen die de Europese geschiedenis hebben opgetekend, daarbij gebruik makend van verhalen van andere culturen en een grote dosis fantasie.

Hoe zit het met de historische betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament? Ook hierover lopen de meningen sterk uiteen. Heel ver hierbij gaat de zogenaamde radicale school van godsdienstwetenschap waartoe in de 19e en de 20e eeuw in ons land o.a. de hoogleraren A.D. Loman, A. Pierson, W.C. van Manen, G.J.P.J. Bolland en G.A. van den Bergh van Eysinga hebben behoord. De “radicale” hypothese over de oorsprong van het christendom houdt in dat aan de idee van de Godszoon later historische realiteit is toegedicht.
Nog steeds houden diverse onderzoekers in de wereld zich met dit onderwerp bezig. In Duitsland bijvoorbeeld is de theoloog Herman Detering een bekende naam op dit terrein.

Tenslotte wil ik u nog de resultaten noemen van een ander onderzoek met betrekking tot Egypte dat ik onlangs onder ogen kreeg.

Zodiak in tempel Dendera
Fig. 7 Zodiak in tempel Dendera


In fig. 7 ziet u een afbeelding van de dierenriem op het plafond van de Hathor tempel in Dendera, een plaatsje ongeveer 60 kilometer ten noorden van Luxor. Zoals u weet, is een dierenriem of zodiak een gordel aan de hemel waarin de vanouds bekende planeten zich bewegen. Het midden van de gordel is de schijnbare zonnebaan of ecliptica. Deze afbeelding toont de posities van de maan, de zon en de planeten Mars, Jupiter, Saturnus, Mercurius en Venus op een bepaald tijdstip, vermoedelijk vlak na de bouw van de tempel tijdens de hellenistische periode.
Daar een dergelijke configuratie gemiddeld maar eens in de tienduizend jaar voorkomt, is deze momentopname een unieke kans om de ouderdom van de tempel te verifiëren. Fomenko en zijn medewerkers hebben berekend dat deze hemelse constellatie alleen maar kon plaatsvinden op 20 maart 1185. In dezelfde tempel bevindt zich nog een andere zodiak. Deze toont de sterrenhemel van 22 april 1168.
Deze dateringen lijken te worden bevestigd door zodiaks in andere Egyptische tempels.

Het zal duidelijk zijn dat deze data volledig in tegenspraak zijn met de chronologie van het Oude Egypte. Hoe moeten we deze discrepantie verklaren? Op het antwoord zullen we nog even moeten wachten, want het boek van de groep van Fomenko hierover moet nog verschijnen, waarschijnlijk dit jaar.

Consequenties voor het familieonderzoek
We kunnen, denk ik, ons niet aan de indruk onttrekken dat het verleden anders was dan ons op school is verteld. Maar hoeveel anders? Wat is nog waar en wat is niet meer waar? De onderzoekers die ik vanmiddag de revue heb laten passeren, hebben aangetoond dat de tijdrekening en een heleboel andere dingen niet kloppen. Van alle onderzoekers gaat Fomenko het verst. Hij stelt dat wij vrijwel niets weten van de tijd voor het jaar 1000. Alles wat daarover in de geschiedenisboeken staat is volgens hem verzonnen. Het is een schokkende en moeilijk te accepteren constatering.
Zijn conclusie betekent natuurlijk niet dat alles uit de duim is gezogen. We kunnen nu eenmaal niet om bepaalde archeologische vondsten heen. Alleen de tijd waarin de gebeurtenissen plaatsvonden, daarover bestaat grote onduidelijkheid.Waarschijnlijk zullen we nooit precies weten hoe het allemaal is geweest.

Wat betekent dit nu voor ons familieonderzoek? Zijn onze voorouders uit deze periode onze voorouders niet meer? Moeten wij ze uit onze kwartierstaten verwijderen en naar het rijk der fabelen verwijzen? Een algemeen antwoord is niet te geven.Wij zullen het voor elke voorouder apart moeten uitzoeken. Hier wil ik mij tot twee bijzondere gevallen beperken.

Karel de Grote
Karel de Grote
Fig. 8 Karel de Grote


Hoe zit het bijvoorbeeld met Karel de Grote? Heeft deze man ooit bestaan? “Nee”, zegt Illig heel stellig. Ook het Karolingische Rijk is volgens hem een verzinsel. Maar heeft hij gelijk? Ik weet het niet. Tot nu toe is het echter nog niemand gelukt zijn bewering te weerleggen. Nu de groep van Fomenko ook nog heeft aangetoond dat het Frankische en het derde Romeinse Rijk duplicaten van elkaar zijn, is het er niet eenvoudiger op geworden.

Ik vrees dan ook dat we zullen moeten accepteren dat de Karolingische dynastie een fictie is. Mocht u hiervan afstammen, dan kan ik mij voorstellen dat u geschokt bent. Zo is het ook mij vergaan toen ik een paar jaar geleden het boek van Illig over Karel de Grote in Wenen in de boekhandel zag liggen. Mijn eerste reactie was: Quatsch, onzin! Dit kan niet waar zijn! Weer iemand die beweert dat Troje in Zeeland lag. Maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn scepsis en ik ben mij in deze materie gaan verdiepen. Het was een boeiende en interessante speurtocht. Maar ook een schokkende, zeker voor een genealoog. Want om tot de ontdekking te komen dat de met veel moeite verzamelde voorouders uit een ver verleden zeer waarschijnlijk fantoomfiguren zijn, is minder leuk. Ik moet echter bekennen dat het mij moeite kost om nu al afstand van hen te doen. Voorlopig heb ik ze dan ook maar in mijn kwartierstaat van een sterretje voorzien. Of ze uiteindelijk moeten verdwijnen zal van nader onderzoek afhangen.

Voorouders in Engeland
Parallellen
Fig. 9 Parallellen


In fig. 9 ziet u een ander resultaat van de groep Fomenko. Zij hebben ook aangetoond dat de Engelse geschiedenis tot ongeveer het midden van de veertiende eeuw een duplicaat is van de geschiedenis van het Byzantijnse Rijk. Daar word je niet echt vrolijk van. Weer een illusie minder? Moeten we nu ook al Willem de Veroveraar, Alfred de Grote en nog meer Engelse koningen van ons lijstje voorouders schrappen? Ik weet het niet. Maar dat er iets vreemds aan de hand is, is wel zeker. Ook hier zal nader onderzoek meer klaarheid moeten brengen.

Deze twee voorbeelden laten duidelijk zien dat de betrouwbaarheid van ons genealogisch onderzoek staat of valt met de betrouwbaarheid van het historische model. Dat er met het huidige model iets mis is, valt niet meer te ontkennen. Voor genealogen is dat een droeve constatering. Onderzoek van jaren kan waarschijnlijk zo de prullenmand in.

Waarom klopt de geschiedenis niet?
Tot slot wil ik nog een paar woorden wijden aan de vraag: waarom klopt de geschiedenis niet? Niet dat hier maar weinig woorden voor nodig zijn, integendeel, maar er is nu geen gelegenheid om hierop uitvoerig in te gaan.

Het meest voor de hand liggende antwoord is dat historici zich in het verleden bij het samenstellen van een geschreven geschiedenis hebben vergist. Zoals ik al eerder heb opgemerkt, is het omzetten van data in oude documenten naar de terminologie en eenheden van de moderne tijdrekening niet eenvoudig. Wanneer hierbij fouten worden gemaakt, zijn de daaraan verbonden conclusies en interpretaties ook niet juist.

Een meer achterdochtig persoon zal beweren dat documenten in het verleden zijn vervalst. Helaas moeten we hem gelijk geven. Er is aangetoond dat dit inderdaad het geval is. In 1986 is hieraan zelfs een congres gewijd door het Duitse instituut voor het onderzoek van de middeleeuwen. Maar ook de eerder genoemde Kammeier heeft dit overtuigend bewezen. Hij beweert dat het op zeer grote schaal is gebeurd. Het zou in de middeleeuwen een gecoördineerde actie van de kerk zijn geweest. Topper heeft het zelfs in zijn boek Die grosse Aktion (de Grote Actie) over de stelselmatige vervalsing van ons verleden van de Antieke Oudheid tot de tijd der Verlichting.

De vraag die zich dan meteen voordoet is: waarom zou een dergelijke actie zijn opgezet?

Vermoed wordt dat er toen pas behoefte was aan een geschreven geschiedenis. Want is geschiedenis nog steeds niet het belangrijkste instrument van politieke, wetenschappelijke, ideologische en vele andere menselijke structuren voor beheersing van de toekomst? Immers voor het controleren van de toekomst moet men ook controle over het verleden hebben.

Een ander vermoeden dat in de literatuur wordt genoemd, is dat er een grote catastrofe door buitenaardse invloeden heeft plaatsgevonden waardoor vrijwel alle kennis over het verleden was verdwenen. Er zijn aanwijzingen dat er zich in de veertiende eeuw een kolossale ramp van wereldwijde omvang heeft voorgedaan. Een feit is dat Europa toen werd geteisterd door enorme regenval, overstromingen en grote aardbevingen die tot in Noord-Europa werden gevoeld. Dit alles werd nog eens gevolgd door de grote pestepidemie, waarbij naar schatting een vierde deel van de bevolking slachtoffer werd.
Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het opnieuw op schrift stellen van het verleden. Maar het blijft vooralsnog speculeren.

Een ding is echter wel zeker, de combinatie van vergissingen en vervalsingen heeft de geloofwaardigheid van onze Europese geschiedenis geen goed gedaan.

Slotwoord
De onderzoekingen van de critici laten duidelijk zien dat er gerechtvaardigde redenen zijn de geschiedenis te herschrijven. Dit is een gigantische taak die niet zonder problemen zal verlopen. Laten we echter niet vergeten dat er in de menselijke beschaving meer keerpunten zijn geweest waarin de mensheid genoodzaakt was algemeen aanvaarde kennis te verwerpen en deze door nieuwe begrippen te vervangen. Zulke omwentelingen hebben in het verleden plaatsgevonden in de astronomie, de mechanica, de scheikunde, de natuurkunde en de wiskunde. Maar er waren ook ommekeren in de economie en de psychologie.

Nu moeten de historici eraan geloven. Een eerste aanzet hiertoe is een aantal jaren geleden door Fomenko en zijn collega Nosovskij gegeven. Helaas is hun visie op het verleden door de taalbarrière nog nauwelijks tot het Westen doorgedrongen. Ikzelf heb de Russische tekst pas zeer recent kunnen bemachtigen. Hierin ontwikkelen zij o.a. een nieuwe geschiedenis voor het Romeinse en Byzantijnse rijk. Bovendien besteden zij aandacht aan de ontstaansgeschiedenis van het christendom. Hoewel ik nog niet alles heb gelezen, kan ik wel zeggen dat de middeleeuwen niet meer zijn zoals ze geweest zijn, tenminste ..... als hun hypothese blijkt te kloppen. Het is aan de historici om dit verder te onderzoeken. Hopelijk doen zij dat samen met archeologen, taalkundigen en andere deskundigen. Kortom, het ontwikkelen van een nieuw historisch model dient een interdisciplinair karakter te hebben.




Literatuur
Baldauf, Robert (1902): Historie und Kritik, Basel.
Blockmans, Wim en Peter Hoppenbrouwers (2002): Eeuwen des Onderscheids, Prometheus, Amsterdam.
Fomenko, Anatolij T. (1994): Empirico-Statistical Analysis of Narrative Material and its Applications to Historical Dating (2 delen); Kluwer Academic Publishers, Dordrecht.
- (1995): Nieuwe Chronologie van Griekenland (in het Russisch); http://www.lib.ru/FOMENKOAT/greece.txt.
Fomenko, A.T. and G.V. Nosovskij (1999): New Hypothetical Chronology and Concept of the English History/British Empire as a Direct Successor of Byzantine-Roman Empire; http://www.ase.ee/moshkow/lat/FOMENKOAT/engltr.txt.
Fomenko, A.T. en G.V. Nosovskij (1999): Reconstructie van de Algemene Geschiedenis (Nieuwe Chronologie); ‘Delovoi Express’, Moskou (in het Russisch).
Fomenko, A.T., T.N. Fomenko and W.Z. Krawcewicz, (2003?): Mysteries of Egyptian Zodiacs and other Riddles of Ancient History (verschijnt vermoedelijk in 2003).
Illig, Heribert (1998): Das erfundene Mittelalter; Econ & List Taschenbuch Verlag, München.
- (1999): Wer hat an der Uhr gedreht?; Econ & List Taschenbuch Verlag, München.
Ilig, Heribert, Gerhard Anwander (2002): Bayern und die Phantomzeit. Archäologie widerlegt Urkunden des frühen Mittelalters; Mantis Verlag.
Johnson, Edwin (1887): Antiqua Mater (a Study of Christian Origins), London.
- (1894): The Pauline Epistles, London.
- (1904): Rise of English Culture, London.
[de eerste twee boeken van Johnson zijn gepubliceerd op de website van Radikalkritik]
Kammeier, Wilhelm (1935): Die Fälschung der deutschen Geschichte, Adolf Klein Verlag, Leipzig (in 2000 opnieuw uitgegeven door Verlag für Ganzheitliche Forschung in Wobbenbihl).
Lukács, Bela (200): Comments on Fomenkology, http://www.rmki.kfki.hu/~lukacs.
Morozov, Nicolaj A. (1926-1932): Christus (De geschiedenis van de menselijke cultuur vanuit het standpunt van de natuurwetenschappen), Moskou en Leningrad, delen 1-7; een tweede editie is in 1997-1998 verschenen bij Kraft&Lean in Moskou (beide uitgaven zijn in het Russisch).
Newton, Isaac (1725): Abregé de la chronologie de I. Newton/fait par lui-même, et traduit sur le manuscript Angloise [par Nicolas Feret], Gavelier, Paris.
- (1728): The Chronology of Ancient Kingdoms Amended, London.
Nosovskij, G.V. en A.T. Fomenko (1999): Nieuwe Chronologie en Concept van de Oude Geschiedenis van Rusland, Engeland en Rome (in het Russisch); http://lib.kts.ru/FOMENKOAT/rus_ar.txt
Osman, Ahmed (1999): Uit Egypte heb ik Hem geroepen, Tirion Uitgevers B.V., Baarn.
Petavius, Dionisius (1627): De Doctrina Temporum.
Scaliger, Joseph (1583): Opus Novum de Emendatione Temporum.
- (1606):Thesaurus Temporum. Tabov, Jordan (1997): De val van Oudbulgarije, Morang, Sofia (in het Bulgaars; er bestaat ook een Russische uitgave).
- (1999): De oude Bulgaren, Sofia (in het Bulgaars).
Topper, Uwe (1998): Die Grosze Aktion; Grabert, Tübingen.
- (1999): Erfundene Geschichte; Herbig, München.
- (2001): Fälschungen der Geschichte; Herbig, München.
- (2003): Zeitfälschung; Herbig, München.

Websites
Berliner Geschichtssalon: http://www.berliner-geschichtssalon.de
Karlsruher Geschichtssalon: http://jesus1053.com
Groep Fomenko: http://univ2.omsk.su/foreign/fom/fom.htm
- http://hbar.phys.msu.ru/gorm/fomenko.htm
New Chronology Group: http://www.newchrono.ru
New Tradition: http://www.revisedhistory.org
Radikalkritik: http://www.radikalkritik.de
Tijdschrift Efodon-Synesis: http://www.efodon.de/eingang.htm

De auteur
Henk Feikema (1936) is oud-docent natuurkunde van de Technische Universiteit Delft en voorzitter van de Genealogische Vereniging Prometheus.


Genealogische Vereniging Prometheus / TUDelft / E-mail: webmaster@prometheus-delft.org
Laatst gewijzigd 22 november 2003